*

 
dossier

Archief

Patsen is prima als het de cliënt dient

Jeroen Regouw − 21/04/01, 00:00

De deken van de Nederlandse Orde van Advocaten, Marek Guensberg, houdt een 'pleidooi tegen het poenerige' (de Verdieping, 14 april). Het is niet chic om als advocaat de publiciteit te zoeken, vindt hij. Confrères met een voorkeur voor maatpakken, gouden horloges en dure sportauto's geven 'een vals beeld' van de advocatuur. De politiek denkt nu dat alle advocaten tot over hun oren in het witgewassen criminele geld zitten en daardoor wordt de gefinancierde rechtsbijstand steeds verder uitgehold. De rechtsstaat is in gevaar: Bram Moszkowicz rijdt in een Aston Martin!

Zo staat het er natuurlijk niet letterlijk, de deken kijkt wel uit, maar hij suggereert het wel. Guensberg geeft in het openbaar op suggestieve wijze een oordeel over de wijze waarop sommige advocaten hun praktijk en hun leven inrichten. Hij doet dat uitdrukkelijk als vertegenwoordiger van de Nederlandse Orde van Advocaten. Dat lijkt mij niet de bedoeling.

Ik heb er de Advocatenwet en aanverwante regelgeving nog eens op nageslagen, maar nergens staat 'De advocaat rijdt in het belang van de rechtsstaat in een donkerblauwe Volvo stationcar' of 'De advocaat draagt ter bescherming van de eer van de stand een slechtzittend grijs pak'. Al evenmin trof ik een bepaling aan die de advocaat gebiedt -op straffe van schrapping van het tableau- zich na werktijd terug te trekken op de golfbaan of de Rotary.

Er zijn meer dan elfduizend advocaten in Nederland en die zijn niet allemaal uit dezelfde mal gegoten. Zelfs als de overgrote meerderheid van de Ordeleden zich zou ergeren aan de wijze waarop een kleine minderheid zich binnen en buiten werktijd profileert, dan nog is dat geen reden voor de deken om zich tot spreekbuis van die ergernis te maken. Hij is immers de vertegenwoordiger van alle Nederlandse advocaten. De deken heeft vele taken en bevoegdheden, maar een dergelijk vérgaand moreel gouverneurschap over de bij de Orde aangesloten advocaten is daar niet één van.

Bovendien zijn advocaten, poenerig en anderszins, in hun doen en laten nu al aan strenge regels gebonden. Er is een uitgebreid stelsel van regelgeving waaraan de advocaat zich moet houden. Er bestaat ook een tuchtrechtprocedure waarin (bijvoorbeeld op initiatief van de deken!) wordt onderzocht of advocaten zich wel aan alle regels hebben gehouden. Is dat niet het geval, dan volgt een waarschuwing, schorsing of zelfs schrapping van het tableau: de advocaat mag geen advocaat meer zijn.

Er is dus al een interne procedure die er voor zorgt dat de advocaat zich gedraagt 'zoals een behoorlijk advocaat betaamt'. Als Guensberg bedenkingen heeft tegen het optreden van een of meer advocaten moet hij maar de daarvoor bestemde tuchtrechtelijke stappen ondernemen tegen die advocaten. Dan zal in een zorgvuldige procedure wel blijken of zijn bedenkingen terecht waren.

Wat de deken nou net niet moet doen is in de landelijke pers zijn gal spuwen over advocaten die hij niet bij naam wil noemen, in verband met gedragingen waar hij niet op in wil gaan, in zaken die hij verder niet kent. Dat is niet wat een behoorlijk deken betaamt.

Tenslotte nog een enkel woord over de suggestie dat publiciteitsgeile advocaten de gefinancierde rechtshulp om zeep zouden helpen. Afgezien daarvan dat deze gedachtengang nogal gekunsteld lijkt, gaat Guensberg bovendien uit van een onjuist uitgangspunt. Het is namelijk uitdrukkelijk niet de taak van de advocatuur om een stelsel van gefinancierde rechtshulp in stand te houden. Dat is een politieke afweging die door de politiek gemaakt moet worden en daar heeft de advocaat verder niets mee te maken.

Niet het imago van de advocatuur, niet het stelsel van gefinancierde rechtsbijstand, maar uitsluitend het belang van de cliënt is bepalend voor de wijze waarop de advocaat zijn zaken dient te behandelen. Als het belang van de cliënt vordert dat een advocaat in een bepaalde zaak de publiciteit zoekt (en dat kan alleen de advocaat beoordelen), dan staat hem dat vrij; sterker nog: dan moet hij dat doen. Ook dat is een aangelegenheid waarover de deken in het openbaar, zonder dat hij de zaak verder kent, niet kan en niet mag oordelen.

Kort en goed, Guensberg bemoeit zich met zaken die hem als deken niet aangaan. Dat hij persoonlijk kennelijk bepaalde opvattingen huldigt over de wijze waarop een advocaat zich in zijn beroepsmatig optreden zou behoren te profileren is uiteraard zijn goed recht, maar daarover dient hij zich als vertegenwoordiger van de gehele Orde niet uit te laten. Zijn suggestieve uitspraken in de pers zijn in ieder geval niet bevorderlijk voor de eenheid binnen de advocatuur.

mailIcon print |