*

 
dossier

Archief

Winterwandeling langs een Nederlandse woestijn

COKKY VAN LIMPT − 20/01/01, 00:00

Landgoed Pijnenburg, gelegen tussen Soest, Baarn en Lage Vuursche, is met zijn 350 hectare het grootste Nederlandse landgoed dat nog in particuliere handen is. Het gedeelte ten noordwesten van de Biltseweg (N234) kennen we op ons duimpje. Wandelend naar Lage Vuursche vanuit onze woonplaats Baarn hebben we dat al ontelbare malen doorkruist. Het zuidoostelijke deel van het landgoed, richting Soest, was echter tot nu toe een blinde vlek. Onbegrijpelijk, vinden we na afloop.

Wat een charmant landschap is dit. En zo afwisselend. Weilanden, oude boerderijen, bouwland, naald- en loofbossen, houtwallen en fraaie eiken- en beukenlanen trekken aan onze verraste ogen voorbij. Het is ook zoveel rustiger hier dan in de bossen rond Lage Vuursche, waar men zich in het weekeinde nooit alleen kan wanen, behalve als het stortregent.

Op zondagmorgen om tien uur is het zelfs op de Biltseweg nog stil. We parkeren bij restaurant 't Spiehuis en steken de Pijnenburgerlaan in. De door bomen omzoomde zandweg slingert tussen romantische boerderijtjes door. Er scharrelen kippen rond, een pony in dikke wintervacht zoekt iets eetbaars in het bevroren gras, twee keffende hondjes bewaken hun erf. Even verderop passeren we de Christoffelhoeve, een stoeterij van Arabische volbloeds. De staldeur gaat open en een voor een stappen de ranke Arabieren de winterkou in.

Gesneeuwd heeft het niet, maar de schoonheid van een berijpt landschap is minstens zo oogstrelend. Het pad is hard, en bezaaid met dezelfde dunne witte naaldjes die, vastgehecht aan bladerloze takken, de boomsilhouetten omtoveren tot een sprookjesachtig winters decor. Jacqueline van der Waals moet zo'n landschap voor ogen hebben gehad, toen zij 'Winterstilte' dichtte. Vijf regels daaruit geven precies weer wat ons nu haast de adem beneemt:

Het fijngetakt geboomte zit

Met witten rijp beijzeld.

De wind houdt zich behoedzaam stil,

Dat niet het minste takgetril

't Kristallen kunstwerk breke.

Pas op de terugweg zal de wind zich niet meer stilhouden en dwarrelen de rijpnaaldjes uit de bomen koudprikkelig op onze wangen.

We betreden het gebied Op Hees, een terrein van 63 hectare, dat tegenwoordig in handen is van Natuurmonumenten. Op Hees, genoemd naar de Soester buitenwijk Hees, is het meest westelijke stukje van het voormalige Soesterveen. Hier leefden de veenarbeiders, takkenbossenrapers en bezembinders. De woonomstandigheden van deze arbeiders waren erbarmelijk. Ze woonden meestal bij hun werk, in het vochtige veen. ,,De gesteldheid van de hutten'', zo rapporteerde ene Sloet van Oldhuis in 1853, ,,is doorgaans ellendig: de bodem is onder de grond, de wanden zijn van plaggen opgezet en het dak van heide (...). Gewoonlijk vindt men er twee van tenen gevlochten ledikanten met onderlagen van takkenbossen en daarop een gevulde zak met stro of mos. De haardstede bestaat uit een drietal keien gelijk aan de overoude haardsteden die men in Hilversum onder de heigrond gevonden heeft.''

Ook de vele sloten of wijken, die diep tot in het veen reikten, herinneren nog aan de zware arbeid van deze mensen. Aan hun werk hebben wij overigens nu al die schitterende uitkijkjes te danken, tussen de bomen door over de weilanden heen. Ideale omstandigheden ook om roofvogels -hier zitten buizerds en haviken- en reeën waar te nemen, al hebben we dat geluk vandaag niet.

Na een paar kilometer verruilen we de weidsheid van het voormalige veengebied voor de beslotenheid van een wat hoger gelegen gemengd naald- en loofbos. Als we het spoor zijn overgestoken stappen we opnieuw een ander landschap binnen. Op dit stukje van de Utrechtse Heuvelrug, waar eens de heidevelden zich uitstrekten, liggen nu de Lange Duinen. De heide is hier door afplagging verdwenen, waarna de wind vrij spel kreeg. Het resultaat is een gigantische, actieve zandverstuiving. In het verleden waren het lange tijd alleen de herders, die vanuit de dorpen hun schaapskudden 'szomers over dit gebied dreven. 'sWinters kwam er niemand.

Hoe anders is dat nu. Het 'rondje Lange Duinen' dat op ons menu staat, is landschappelijk zeker de moeite waard, maar met onze rust is het gedaan, al is het ook hartje winter. De Lange Duinen blijken een oase voor joggers en hondenbezitters te zijn. Mens en dier worden hier massaal uitgelaten. Ondanks al dat leven biedt de enorme, heuvelachtige zandvlakte nog altijd een surrealistische aanblik. Her en der bekronen grillig gevormde grove dennen de duintoppen. Hun lage, breeduitwaaierende, berijpte kronen steken zilverig-donkergroen af tegen de winterlucht. Overigens moet je, om van dit schouwspel te kunnen genieten, wel het wandelpad verlaten, omhoogklimmen en via de duinenrand je 'rondje' lopen. Vanaf het pad is nauwelijks iets te zien van de imposante zandvlakte.

Na het verlaten van dit stukje Nederlandse woestijn steken we het bos weer in, de rust tegemoet. Over een aantal andere paden door het bos en Op Hees keren we weer terug naar Pijnenburg en ons beginpunt, waar ons geen koffie wacht. 't Spiehuis serveert alleen lunches en diners en is zo gewild dat reserveren noodzakelijk is. In het nabijgelegen Lage Vuursche zijn echter plenty gelegenheden voor een hapje of drankje.

mailIcon print |