*

 
dossier

Archief

Vreemdeling in eigen land

Hans Goslinga en Marcel ten Hooven − 02/02/01, 00:00

Toen hij in 1989 aan een nieuwe auto toe was, moest dat er eentje zijn met katalysator.

De autoverkoper hield hem voor dat zo'n ding weinig uitmaakte, maar met dat praatje was hij bij Schutte aan het verkeerde adres. Zeker in die tijd. Het tweede kabinet-Lubbers was zojuist gevallen vanwege een conflict tussen het milieubelang en de portemonnee van de automobilist. In daarop volgende verkiezingstijd was het milieu een brandend thema, de milieubeweging riep het GPV van Schutte uit tot de op een na groenste partij. Schutte: ,,Ik zei tegen de autoverkoper dat ik als kamerlid een milieuvriendelijk gedrag propageerde en dat die opstelling vanzelfsprekend ook voor mij als privépersoon betekenis had. Zoals u wilt, zei hij.''

Met deze kleine geschiedenis wil Schutte duidelijk maken hoe belangrijk hij het altijd heeft gevonden dat er harmonie heerste tussen het kamerlidmaatschap en zijn privéleven. Hij lijkt er ook mee aan te geven dat in zijn geval de mens vrijwel samenvalt met de politicus. Vragen naar persoonlijke emoties beantwoordt hij het liefst in meer rationele termen van politieke voor- of tegenspoed.

,,Ik ben niet snel terneergeslagen of opgetogen'', zegt hij verklarend. Daarbij, vertelt hij, is hij zich er van jongsaf aan van bewust geweest dat hij tot een kleine politieke minderheid behoorde 'die als het om het uitoefenen van macht gaat niets te betekenen heeft'. Juist daarom vond hij het al heel wat dat in ons staatkundig bestel 'die paar GPV'ers kunnen zeggen wat zij belangrijk vinden'.

,,Niet de resultaten zijn het eerste belang, maar dat we kunnen spreken. In andere landen zouden we allang zijn gemarginaliseerd. Als je onder die omstandigheden iets bereikt, is dat een extra reden tot dankbaarheid. Als het niet lukt, hoef je niet al te teleurgesteld te zijn.''

Hij voert de relativering nog wat verder door vergoeilijkend te praten over de harde uitval van wijlen Ien Dales (PvdA) naar de kleine christelijke partijen in het debat over de wet gelijke behandeling in 1993. Dales, minister van binnenlandse zaken in het derde kabinet-Lubbers, verklaarde midden in dat debat dat ze niet met 'klein rechts' verder wilde praten vanwege hun afwijzing van de homoseksuele praxis. ,,Ik heb dat altijd als een uitglijer beschouwd. Zo kende ik haar niet. Die uitval had te maken met haar zeer persoonlijke betrokkenheid bij het onderwerp. Bovendien was ze iemand die van haar hart geen moordkuil maakte. Ze drukte ons met de neus op het feit dat we een kleine minderheid zijn.''

Hij vergelijkt die positie met die van de verdrukte eerste christenen in de romeinse tijd, die van de apostel Petrus de raad kregen niet gek op te kijken als hen iets vreemds overkwam. Hij ervaart dit vreemdelingschap in eigen land nog sterker sinds het aantreden van Paars II. ,,Onder het eerste paarse kabinet was het in de coalitie nog een kwestie van aftasten: wat kunnen we, nu we zonder een christelijke partij regeren? Kok was voorzichtig, hij presenteerde zich als premier van alle Nederlanders. Onder Paars II is er sprake van een radicalisering en het gaat ineens snel ook. Het openstellen van het huwelijk voor homoseksuelen, de euthanasiewet, het opschuiven in medisch-ethische kwesties, de coalitie houdt in die zaken geen rekening meer met de opvattingen en gevoelens van de christelijke partijen.''

,,Dat is een bewuste keuze. Paars is z'n onschuld kwijt: wij zijn de meerderheid en we doen het zo. Ik heb dat sterk ervaren in het debat over het homohuwelijk. Wij vroegen aandacht voor ambtenaren van de burgerlijke stand met gewetensbezwaren tegen het trouwen van homo's. Aanvankelijk stelde staatssecretaris Cohen zich op een onverbiddelijk standpunt: wet is wet, anders moet je maar geen ambtenaar van de burgerlijke stand worden. Pas in het debat draaide hij om. PvdA en VVD bleven tegensputteren: moet dat nou? Ik ervaar dat als de tirannie van de meerderheid. Daarmee wordt gebroken met een traditie in ons land, die Ed van Thijn, toch niet de eerste de beste in de PvdA, ooit onder woorden bracht toen hij zei: democratie is de kunst om met minderheden rekening te houden. Van die lijn, die in de sociaal-democratie altijd aanwezig is geweest, merk je in de huidige PvdA bij ethische kwesties nog maar weinig. Bij de VVD is die gezindheid er nog wel als het om onderwijs gaat.''

De radicalisering van Paars schrijft hij voor een deel toe aan revanchisme jegens het CDA. ,,Dat zal wel meespelen, ja. Maar je moet zelf wel behoorlijk gemotiveerd zijn als je, in het geval van het homohuwelijk, zo radicaal breekt met een cultuur die eeuwenoud en wereldwijd verspreid is.''

Wat hem zo mogelijk nog meer steekt is dat de paarse meerderheid de christelijke partijen eigenlijk niet meer als politieke tegenstanders beschouwt, 'maar als een curiositeit, eigenaardig, maar onschadelijk, aan wie je alleen nog maar respect hoeft te betuigen'. Gestoord heeft hij zich aan het triomfalisme van het D66-kamerlid Dittrich. ,,Ik kan het accepteren dat hij zegt: we hebben lang voor het homohuwelijk en de euthanasiewet gestreden, ik ben blij dat het gelukt is. Maar hij is er trots op, als een slavendrijver die de slaven onder de voet heeft. Het straalde van hem af. Het betuigen van respect heeft dan geen betekenis meer. Respect en tole rantie omvatten meer dan een plichtmatig woord. Tolerantie moet ook iets kosten, in de zin dat je iets accepteert van een ander wat je zelf niet zou willen. Dat is de kern van de traditie van geestelijke vrijheid in dit land.''

Hij bespeurt zowel bij de sociaal-democratie als bij de liberalen een vervlakking op dit punt. ,,De hele politieke kaart is grauw geworden in een heel breed midden. Daar past dat wel bij. Toch merk je dat die vervlakking weerstanden gaat oproepen. Hoe heviger die weerstanden worden, hoe groter de wissel op de spanning. Het is niet ondenkbaar dat die spanningen, die ik vooral in de PvdA zie, na de volgende verkiezingen leiden tot een andere coalitie. Twee keer Paars vond ik erg, drie keer Paars zou funest zijn. Kok is in mijn ogen de grote afwezige in deze discussies, die toch over vraagstukken van nationaal belang gaan. Als hij echt de leider van het kabinet zou zijn en premier van alle Nederlanders had hij zichtbaarder moeten zijn, piketpalen moeten uitzetten. Daar merk ik niets van. Bij vraagstukken die wezenlijk zijn, behoort een premier een leidende rol te spelen. Het verschil tussen Kok en zijn voorganger Den Uyl is mijlengroot. Den Uyl stond ergens voor.''

Hij koestert warme herinneringen aan Den Uyl, ondanks de aanvaring die zij hadden na de opmerking van de PvdA-leider dat de kleine christelijke partijen 'a-democratisch' waren. ,,Den Uyl plaatste die opmerking uit tactische motieven, om de VVD en het CDA van ons af te houden, en had in de eerste plaats het oog op de SGP. Maar dat neemt het grievende karakter van die uitspraak niet weg. Het niveau van Den Uyl bleek toen zijn eigen fractie hem op die opmerking aansprak en hij een doorwrochte notitie schreef over de wortels van de christelijke politiek. In dat stuk ontbrak zelfs een beschouwing over het onverkorte artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis niet, waarin de overheid wordt opgeroepen valse afgoderij te weren. Dat tekent toch zijn grootheid. Hij heeft die notitie eerst nog aan mij voorgelegd: wat vind je ervan?''

Dankzij zijn uitgesproken taakopvatting als kamerlid en zijn kritische zin als bewaker van de zuivere verhoudingen tussen regering en Tweede Kamer, verwierf hij de eretitel 'staatsrechtelijk geweten'. Toch wekt deze bijnaam bij hem eerder ergernis dan trots. ,,Ik word alleen maar chagrijniger naarmate ik vaker zo word genoemd. Meer dan over mijn capaciteiten zegt het iets over het functioneren van de Tweede Kamer zelf. Eigenlijk is het heel gek dat het als opmerkelijk wordt beschouwd als een kamerlid optreedt als staatsrechtelijk geweten. Elk kamerlid zou die functie moeten vervullen. Daartoe worden we aangesteld met de eed die wij op de Grondwet afleggen. Dat ik als enige zo te boek sta, is ook onrechtvaardig tegenover kamerleden die op dit vlak van wanten weten, zoals Van der Vlies van de SGP.''

Paars trad destijds aan met de belofte meer dualisme in de verhouding tussen regering en parlement te brengen. Zes jaar na dato constateert hij dat het monisme onverminderd heerst. In de praktijk maken de coalitiefracties binnenskamers met bewindslieden allerlei afspraken die de onafhankelijke positie van de Tweede Kamer ondergraven. Hij wijt dat fenomeen aan 'innerlijke zwakheid' van de coalitiepartijen. Ze hebben volgens hem onvoldoende vertrouwen in hun eigen overtuigingskracht om in het debat te strijden voor hun zaak. ,,Liever regelen zij het beleid in beslotenheid, met het regeerakkoord binnen handbereik.''

Hij denkt dat alleen een radicale breuk met de praktijk van de regeerakkoorden het monisme kan doorbreken en de machtsbalans tussen regering en Kamer herstellen. Bij de laatste formatie opperde hij de belangrijkste kandidaat-ministers afspraken over het beleid te laten maken. Zij zouden in de laatste fase van de formatie hun ontwerp-regeerakkoord aan de Kamer moeten voorleggen. Het parlement houdt dan de handen vrij om over het beleid te oordelen, volgens de dualistische grondregel 'de regering regeert, het parlement controleert'.

,,Voorstanders van de huidige praktijk zeggen dat de Kamer een grote invloed op het beleid heeft verworven dankzij haar sterke betrokkenheid bij de opstelling van het regeerakkoord. Maar dat is een schijninvloed. In werkelijkheid ontstaat een enorme binding vooraf aan het voorgenomen beleid. Hoe vaak komt het niet voor dat een coalitiefractie ergens haar fiat aangeeft alleen omdat zij zich daaraan in het regeerakkoord heeft verbonden, niet uit overtuiging. Het debat wordt een schijnvertoning, de rol van de Kamer gemarginaliseerd.''

mailIcon print |