*

 
dossier

Archief

Altijd gedreven door de nood, toch moed en geduld bewaard

redactie religie & filosofie − 29/09/01, 00:00

'Kameraad De Lange' noemden ze hem in zijn chique remonstrantse broederschap wel, met een mengeling van bezorgdheid, bewondering en ironie. Harry de Lange was lid van het meest tolerante kerkgenootschap op aarde, maar hij duldde absoluut geen onrecht, halfheid, mensonwaardigheid. Al vier jaar aan huis gekluisterd en niet meer actief is hij donderdag overleden, 82 jaar oud.

Dr. Harry de Lange was decennialang niet weg te denken uit alles wat progressief-kerkelijk, oecumenisch, sociaal, internationaal-georiënteerd was. Hij was econoom en jarenlang verbonden aan het Centraal Planbureau. Dat klinkt braaf en weinig spannend, maar voor De Lange kon dat niet anders zijn dan een gedreven idealisme -tegen de chaos, de onreddering, het laat maar waaien van vóór de oorlog.

Onder invloed van de protestantse PvdA-voorman W. Banning schoof hij in werk en belangstelling steeds meer in de richting van kerk, oecumene, sociale ethiek -alles in dienst van een rechtvaardige wereldorde, de ideaal van de 'gestalte van een verantwoordelijke maatschappij', zoals de titel van zijn proefschrift luidde. Tot zijn geestelijke leermeesters rekende hij naast Banning ook Nobelprijswinnaar de econoom J. Tinbergen en de oecumeneman W. Visser 't Hooft.

,,Een gedreven man'', noemden ze hem of met een wat getemperder bewondering: een ,,doordraver voor de betere wereld''. Derde wereld, Wereldraad van kerken, racisme, milieu, sober leven, de samenhang van armoede, consumptie, welvaart, ecologie en geweld -Harry de Lange heeft tot ver in de jaren negentig honderden artikelen geschreven, idem spreekbeurten gehouden, forums bemand, discussies geleid, interviews gegeven. In dat laatste geval was hij ook nimmer te beroerd om de journalist heen te zenden met tien geboden hoe deze zijn of haar krant beter kon maken, tot een krachtiger partij in de strijd voor het recht, waar volgens hem niemand zich aan kan onttrekken.

De Lange werd vaak geconfronteerd met kritiek op wat dan heette de kerk die zoveel woorden had maar weinig daden. Bits en fel reageerde hij: als de slachtoffers hem zulke verwijten maakten, zou hij zich dat zeer aantrekken, maar dat kwam nooit van hén, wel altijd van mensen aan de kant, die liever niet zien dat de kerk de stem van de slachtoffers vertolkt.

Aan de basis van het rechtsdenken is het Romeins om uit te gaan van het 'ieder het zijne', Joods is de notie van de gerechtigheid voor weduwe en wees. Volgens De Lange betekent dat laatste altijd een appèl doen op de sterken, het eerste betekent daarentegen altijd het wegduwen van de zwakken.

Zo ijverde Harry de Lange onvermoeibaar, in woord en geschrift, in zijn Multidisciplinair centrum voor kerk en samenleving, in oecumenische raden, in zijn kerk, in besturen, op zijn leerstoel toegepaste ethiek aan de theologische universiteit Utrecht. Het bracht hem tot een vruchtbare samenwerking met iemand als Bob Goudzwaard, die kerkelijk in een veel en veel behoudender kamp thuishoort dan bij De Lange's vrijzinnige remonstranten, maar die diens sociale gedrevenheid even compromisloos deelt. Omgekeerd kritiseerde hij de naaste kerkbroeders, als dezen zijn prioriteiten lichter opnamen.

De Lange tobde met het onoplosbaar dilemma: aan de ene kant was de toestand in de wereld zo dat de strijd voor recht en vrede buitengewoon urgent was; tegelijk was daarbij een eindeloos geduld vereist. Geduld en urgentie: ze zijn eigenlijk niet te verzoenen, maar De Lange vond dat hij het toch moest proberen, een mensenleven lang. Dan had hij van die mooie oneliners om dat uit te leggen: ,,Zolang mensen in de derde wereld dagelijks de strijd opnemen tegen geweld en onrecht, wie ben ik dan wel om de moed te verliezen?''

mailIcon print |