In 1672 schreef LaRochefoucauld: ,,Het is onmogelijk een zeker plezier te onderdrukken bij het ongeluk van zelfs je beste vrienden''. Omdat je denkt: ik lekker niet.
In 1972 beschreef David Niven in zijn autobiografie een bezoekje aan zijn buren: ,,Halverwege ons eerste glas champagne stormde iemand binnen en riep: het huis hiernaast staat in lichterlaaie! We renden naar buiten. Ik vreesde het ergste. Tot mijn schandelijke opluchting ontdekten we dat het huis van Sidney Lanfield, de regisseur, die aan de andere kant van de Fairbanks woonde, in vlammen opging.'' Ik lekker niet.
Joseph Losey maakte een beklemmende film over dit gevoel: 'Monsieur Klein', waarin een Joodse monsieur Klein wordt verward met een niet-Jood die ook Klein heet. De niet-Jood Klein beweegt hemel en aarde om te bewijzen dat hij niet de Jood Klein is. Op het állerlaatste moment lukt dit ook en zijn vrienden komen aanstormen met de bevrijdende documenten als hij op het punt staat de wagon vol verdoemden in geduwd te worden.
Bij de aanblik van de mensen die zich al in de wagon bevinden, beseft Klein dat er geen enkele reden te verzinnen valt waarom hij niet en zij wel zouden moeten worden afgevoerd. En hij rolt met de slachtoffers de stad uit, terwijl zijn vrienden wanhopig en onbegrijpend met alle juiste stempels op het perron achter blijven. Zo althans herinner ik me deze film.
Veertien dagen geleden was er in 'Netwerk' een actrice aan het woord die in 1939-1940 optrad in de Hollandsche Schouwburg aan de Plantage Middenlaan in Amsterdam. Zij vertelde hoe diep ze getroffen was door de onvergetelijke reactie van vele Amsterdammers toen het voor de Joden verplicht werd om een gele ster te dragen: de Amsterdammers deden zelf ook allemaal een ster op. Het was echt fantastisch geweest!
Dat is nog eens een dramatische manier van zeggen: ik net zo goed! Ik heb daar in Pressers 'Ondergang' trouwens nooit iets over gelezen. Het is te mooi, want zo zijn wij immers niet. Kent u ons zo?
Op Vrijdag 31 maart 1933 zat Sebastian Haffner in de bibliotheek van het gerechtshof in Berlijn, waar hij toen nog werkte. De nazi's hadden voor de volgende dag hun eerste schuchtere stap tegen de Joden aangekondigd in de vorm van een Joden-boycot: niemand mocht meer bij Joden kopen.
Die middag drongen bruine uniformen het gerechtsgebouw binnen om daar alle Joden te verwijderen. In de bibliotheek aangekomen riep één van hen: ,,Niet-ariërs moeten dit lokaal onmiddellijk verlaten!''
Haffner vervolgt: ,,Een bruin uniform kwam op mij af en stelde zich voor mij op: bent u arisch? Voordat ik mij kon bedenken had ik geantwoord: ja. Na een keurende blik op mijn neus trok hij zich terug. Maar ik schaamde me dood. Een ogenblik te laat besefte ik de blamage, de nederlaag. Ik had 'ja' gezegd. Nou ja, verdomme, ik was een ariër. Ik had niet gelogen. Ik had echter iets veel ergers laten gebeuren... Wat een schande om op deze manier te bereiken dat ik hier achter mijn gerechtelijke stukken met rust gelaten zou worden... Ik kon mezelf wel slaan.''
Een ogenblik te laat besefte ik dat... Met huiveringwekkende precisie beschrijft Haffner dit mechaniekje. 'Ja,ik ben arisch' komt uit de aap, en het zichzelf slaan, nee, het zichzelf wel kúnnen slaan, na afloop, dat hebben we later bijgeleerd. Het grappige is dat we deze volgorde vrijwel altijd omkeren, als we het over ons hebben.
In 1938 woonde Ludwig Wittgenstein in Cambridge, zijn broer Paul en zijn zusters Hermine en Helene in Wenen. De Anschluss betekende voor de Wittgensteins een confrontatie met wat de nazi's beschouwden als hun Jood-zijn. Het hele idee van zo geassimileerd te zijn dat alle Jood-zijn in de historie was verdwenen bleek een afgrijselijk misverstand. Volgens de Neurenberger rassenwetten waren de Wittgensteins 'Mischlinge in de eerste graad', als zij er tenminste in zouden slagen te bewijzen dat grootvader Hermann, geboren in 1902, van Duitse afkomst was. Voor de Wittgensteins stond er iets heel anders op het spel dan hun eigenwaarde bij het antwoord op de vraag 'Bent u arisch?'. Zij zouden niets liever doen dan volmondig 'ja' antwoorden. In 1940 was Ludwig in het bezit van een Brits paspoort en mengde hij zich actief in de onderhandelingen met de nazi's over het te geven antwoord. Begin juli 1939 reisde hij naar Berlijn voor de besprekingen. Vervolgens naar zijn zusters in Wenen en ten slotte eind juli naar zijn broer Paul, die inmiddels de wijk had genomen naar New York. De nazi's hadden een Reichsfluchtsteuer ingesteld. Dat betekende dat Joden tegen betaling uit de val konden ontsnappen. De Wittgensteins betaalden echter om zich tot niet-Jood te laten verklaren, althans niet-deporteerbare Jood. Het bedrag dat ze hiervoor neertelden was 1700 kilo goud. U leest het goed: 1,7 ton goud. Het resultaat was een brief van de Reichsstelle für Sippenforschung in februari 1940 waarin zij tot Mischlinge in de eerste graad werden verklaard. Ludwig keerde terug naar Engeland. Zijn zusters kwamen ongedeerd de oorlog door.
Ik bedoel hier geen schande te spreken over de Wittgensteins, of Haffner te zegenen. Het gaat om de lullige constatering dat we tegenover een bruinhemd of een Reichsstelle für Sippenforschung allemaal bereid zijn de ariër uit te hangen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.