*

 
dossier

Archief

Albert Heijn frustreert een gezonde boerenmarkt

Gerbrand Rustenburg − 28/02/01, 00:00

De supermarkten hebben een te dominante machtspositie op de markt van ecologische producten. Ze kunnen de boer een schijntje betalen, en tegelijk een te hoge verkoopprijs hanteren. Wil de overheid echt een gezonde voedselproductie, dan moet ze ingrijpen in de markt.

Berend Wieringa, hoogleraarMarketing aan de Erasmus Universiteit, heeft een oplossing voor de land- en tuinbouwproblemen. De boeren moeten volgens hem ketenafspraken maken met partijen verderop in het distributiekanaal over hoeveelheden en productkwaliteit (Podium, 23 februari). Er zijn echter voldoende voorbeelden waaruit blijkt dat deze benadering het toekomstperspectief van boeren niet verbetert.

Onder toekomstperspectief versta ik een redelijke vergoeding voor alle boerenactiviteiten, voor de productie van voedingsmiddelen, verantwoordelijk beheer van landschap en voor behoud van cultuurhistorisch erfgoed. Daarbij zijn productkwaliteit, dus gezond voedsel en productiemethoden die het leefmilieu niet belasten, uitgangspunten. Daarover hoeven geen ketenafspraken te worden gemaakt. Het is te zot voor woorden dat we praten over 'biologische' producten, die 'gezond' zouden zijn en 'niet-biologische' producten, die niet zo gezond zijn. Deze tweedeling is onacceptabel, we moeten zonder meer toe naar een veilige en verantwoorde voedselproductie.

Wieringa vergeet dat boeren, vele kleine aanbieders, vaak geen gelijkwaardige partij zijn voor de grote dominante partijen als de verwerkende industrie en vooral de detailhandel. Zelfs grote verbanden van tuinders en boeren, zoals veilingen en coöperaties, moeten het afleggen tegen het grootwinkelbedrijf. De machtpositie van de detailhandel is dusdanig groot dat bijvoorbeeld toch ook grote kipverwerkende coöperaties kipproducten tegen de allerlaagste prijzen moeten aanbieden en dan ook nog onder het huismerk van de supermarktketen.

De grootste groente- en fruitveiling 'the Greenery International', een cooperatie van vele tuinders, moet het afleggen tegen Albert Heijn en alle eisen van deze marktpartij inwilligen. Door deze scheve verhoudingen blijven de grote nadelen van intensieve, voor velen onethische, productiemethoden in stand.

Jan Douwe van der Ploeg, hoogleraar in Wageningen, is voor een krachtenbundeling: één grote afzetcoöperatie voor de biologische sector. Zo'n machtsblok zou volgens hem sterk staan in de onderhandelingen met supermarktketens en overheid. Dit idee slaagt echter alleen als een dergelijke coöperatie een internationaal karakter heeft, een sterk internationaal (keur)merk zou hebben en gedoogd wordt door de EU-wetgeving op het gebied van mededinging. De detailhandel zal internationaal pleiten voor meer vrijhandel en zal naar andere producenten zoeken.

De versafdelingen met groenten, fruit, vlees en kaas worden steeds belangrijker voor supermarkten. Deze productgroepen genereren een bovengemiddelde winstmarge en zijn goed voor de identiteit van de winkelformule. Je kunt je afvragen of de marktpositie van de grote supermarktketens niet erg groot aan het worden is, waarbij misbruik om de hoek loert.

Zo'n tachtig procent van de ecologische consumptieaardappelen wordt bijvoorbeeld verkocht via de supermarkten, waarvan 75 procent via Albert Heijn. Bij een dergelijk groot marktaandeel is de inkoopprijs aan de (te) lage kant en de verkoopprijs aan de (te) hoge kant. Twee kilo ecologische aardappelen kost bij Albert Heijn 4,49 gulden en bij C1000, een kleine speler op dit gebied, 3,49 gulden.

In de onlangs gehouden 'biologische week', waarbij Albert Heijn een korting van dertig procent 'weggeeft' is het prijsniveau nog steeds op het niveau van de andere supermarktketen. De winst van de grootgrutter is dan ook vele malen groter dan die van de boer, terwijl zijn risico's, zoals de weersafhankelijk, veel groter zijn.

De afzet van eco-aardappelen, nog maar 1 procent van het totaal, groeit maar langzaam, omdat de eco-aardappel in de supermarkt twee keer duurder is dan de gewone aardappel. Als de supermarkten met een redelijker, dus lagere marge genoegen nemen, wordt de winkelprijs aanzienlijk lager en dus aantrekkelijker voor de consument.

De detailhandel verstoort ook de marktwerking. De winkelprijzen worden om kostenredenen voor een wat langere periode vastgesteld. Prijzen op de veilingen werken niet of vertraagd door in de winkelprijzen. Lage prijzen voor rundvlees, groenten of aardappelen, leiden niet tot lage winkelprijzen.

Het is de taak van de overheid om zwakke partijen, in dit geval de boer en consument, te beschermen en de dominante partijen, zoals het grootwinkelbedrijf, te beteugelen. Het ministerie van landbouw wil de zaak aan de markt overlaten. Maar de overheid moet juist sturend optreden, wanneer zij een verandering in landbouwbeleid noodzakelijk acht.

De EU hanteert voor een beperkt aantal producten een aanbodbeheersing. Dit moet voor een groot aantal producten worden uitgebreid. Ook zou de EU een regime van minimumprijzen voor boeren moeten invoeren. Dit prijsinstrument, dat een basis legt voor een redelijk inkomen voor boeren, kan een einde maken aan vaak onlogische, politiek getinte EU-subsidies. Uiteraard moet de winstmarge van de detailhandel bevredigend zijn, maar niet absurd hoog. Uitwassen moeten met maximumprijzen in de hand worden gehouden. Met de Prijzenwet kan de minister van economische zaken voorschriften uitvaardigen, wanneer de overheid de productie van verantwoord voedsel wil garanderen of de prijs te hoog acht. De overheid gebruikt het prijsinstrument niet graag, maar deze uitzonderlijke omstandigheden vragen een andere aanpak; niet alleen van de overheid, maar ook van boerenorganisaties.

mailIcon print |