*

 
dossier

Archief

Componeren als medicijn tegen rusteloosheid

Anthony Fiumara − 20/04/01, 00:00

5 februari 1999. Ik meld me aan bij de balie van een Amsterdamse hotel voor een interview met dirigent Paul van Nevel, en hoor de hotelbaas door de interne telefoon tegen Van Nevel zeggen: 'Ik heb bezoek voor je. En weet je trouwens wie er dood is?' Kort leest hij voor wat hij zojuist in de krant heeft gevonden: dirigent en componist Huub Kerstens, 51 jaar, de dag daarvoor dood gevonden in zijn woonboot, groot verlies voor het Nederlandse muziekleven.

Kerstens dood? Een muziektornado vroegtijdig tot stilstand gedwongen? Ik kwam Kerstens in die tijd vaak tegen bij Donemus, de uitgeverij van hedendaagse Nederlandse muziek waar hij regelmatig langskwam in de hoedanigheid van dirigent óf componist. Zijn bezoek verliep altijd hetzelfde: snel, en op een of andere manier komisch.

Het was Kerstens' gewoonte om altijd - à la Jiskefet - luid 'goedensmorgens' te roepen bij binnenkomst, vervolgens zijn onafscheidelijke fietstas te openen, partituren eruit te halen of er juist in te stoppen (al naar gelang zijn functie van componist of dirigent) en met een brede grijns te informeren naar nieuwe computerspelletjes. Een volgend ritueel bestond uit het bekijken van de laatste composities, die in het kantoor lagen te wachten op verdere verwerking.

Opvallend daarbij was dat Kerstens de muziek niet làs, maar veeleer leek te absorbéren. Het beste bewijs hiervoor werd geleverd door het steeds terugkerende 'raadspelletje'. ,,Van wie zou deze partituur zijn?', vroeg zich hij standaard hardop af bij een van de werken die hij bekeek. Binnen twee minuten kon hij je de naam van de componist noemen. Sterker nog: als het een aanstormend talent was, wist hij in ieder geval altijd om wiens leerling het ging. Ik ken nog steeds niet veel mensen die hem dit nadoen. Huub Kerstens was bij velen vooral bekend als dirigent: met nimmer aflatende energie leidde hij amateur- en universiteitskoren en organiseerde hij bijvoorbeeld de 'Meezing-Mattheus'. Ook richtte hij samen met collega-dirigent René Nieuwint het Koor Nieuwe Muziek op, een ensemble dat zich in 1994 in een 'Centrum Nieuwe Koormuziek' in de Amsterdamse Posthoornkerk vestigde.

Als dirigent was Kerstens een gedreven voorvechter van hedendaagse muziek. Hij voerde talloze premières uit en gaf evenzoveel opdrachten aan componisten, waarbij het bijzonder mag worden genoemd dat hij met zijn programmering de 'stijlverzuilingen' in het Nederlandse muziekleven doorbrak. Geen stokpaardjes maar een brede blik, in het belang van de Nederlandse muziek. Dat Kerstens' passie niet altijd financieel werd beloond, heeft hem nooit van projecten af kunnen houden. Ook het gebrek aan publieke belangstelling voor sommige complexe concerten met elektronica leek hem niet te deren. ,,Voor moderne muziek komen mensen niet in drommen', aldus Kerstens.

Componeren was voor Kerstens een vak dat hij er als autodidact sinds de jaren tachtig naast deed, als medicijn tegen zijn structurele rusteloosheid. In een interview zei hij: ,,Ik had een gevoel dat ik iets wilde maken en dan ging ik weer een kastje timmeren, maar dat gaf geen voldoening. Op een gegeven moment componeerde ik een stukje en daarna nog een.' In ruim veertien jaar tijd schreef hij op die manier tientallen werken, de meeste (hoe kon het ook anders) vocaal.

Een constante in Kersten's oeuvre is zijn welhaast laat-romantische preoccupatie met thema's als dood en ondergang, tot uiting komend in titels en tekstkeuze van zijn werken. Vaak werd verbaasd gereageerd op Kerstens' duistere kant: verborg de ogenschijnlijk immer goedgemutste componist het achterste van zijn tong achter zijn eeuwige grijns?

Artistiek leider Ivar Munk van het door Kerstens frequent gedirigeerde Nederlands Kamerkoor beschreef hem in een interview als componist van langzame muziek, beïnvloed door koorwerken van Ligeti en Penderecki. Als self-made romanticus hield Kerstens van het grote gebaar in zijn muziek, en was zijn taal niet altijd even fijnzinnig. In zijn veelal intuïtief gecomponeerde werken ging het hem vooral om de expressieve lading, meer dan om vorm of inventie. Met het belang van zijn eigen composities lijkt Kerstens zich niet te hebben beziggehouden. In de artikelenstroom rond de opera Creon zijn het vooral anderen die zich daarover het hoofd breken, terwijl Kerstens zelf ooit relativerend opmerkte: ,,Het is net als met een rol wc-papier. Na het ene velletje verschijnt vanzelf het volgende.'

mailIcon print |