Van onze wetenschapsredactie AMSTERDAM - De aanstelling van een joodse priester (de zogeheten cohen) is door de eeuwen en zelfs door de millennia heen steeds verlopen via eenzelfde patrilineaire (mannelijke) lijn.
Volgens bijbelse berekeningen dateert de benoeming van de eerste hogepriester van Israël van zo'n 3300 jaar geleden in de persoon van Aüron, Mozes' oudere broer. Sindsdien geldt het voorschrift dat voor priesteraanstellingen de keuze moet vallen op nakomelingen uit een voorbestemde mannelijke lijn. Maar niemand kan van een periode van meer dan drieduizend jaar overzien of er geen slippers in die priesterbenoemingen optraden. Wellicht zijn er toch 'verkeerde' mannen tussen geslopen.
Britse, Amerikaanse en Israëlische genetici verzekeren vandaag in het wetenschappelijke tijdschrift Nature dat de joodse traditie de leer heeft gevolgd. Zij vergeleken het mannelijk geslachtschromosoom - het Y-chromosoom - van 188 joodse priesters uit Israël, Noord-Amerika en Engeland met hetzelfde chromosoom van leken-joden uit die landen en vonden duidelijke verschillen.
Dat zegt iets: het Y-chromosoom - het chromosoom dat ondermeer bepaalt dat je als man wordt geboren - krijgt een jongen mee van zijn vader, die weer van zijn vader, en zo verder van opa's opa's opa. Het Y-chromosoom blijft grotendeels onveranderd. De andere chromosomen die we meekrijgen - we erven daarvan zowel van vader als moeder een exemplaar - worden bij de bevruchting doorgaans flink door elkaar gehusseld, en daar danken we mede aan dat we allemaal uniek zijn.
Juist door zijn tamelijk constante samenstelling door de tijd heen kan het Y-chromosoom een zekere afkomstlijn verraden. Moleculair onderzoek van het geslachtschromosoom van joodse priesters wijst nu uit dat ze in genetisch opzicht een gemeenschappelijk verleden hebben.
Mondslijm
Geen verheven onderzoek overigens: zoiets bekijk je aan de hand van monsters van mondslijm waar wat DNA uit te halen is.
Genetici zoeken vervolgens naar specifieke plekjes op het Y-chromosoom waarmee ze de verschillen tussen Y-chromosomen kunnen traceren. En die waren opmerkelijk: sommige DNA-fragmenten op het chromosoom kwamen bij priesters zelden voor, bij amper één op de honderd, maar bij de leken-joden bij één op de vijf. Daaruit concluderen de genetici dat de jongens die priester werden - volgens studie van joodse graven zo'n vijf procent van de mannelijke bevolking - een geslachtschromosoom hebben dat van 'ver weg' komt, vanuit een lange traditie van vader op zoon.
Die traditie moet oud zijn, speculeren de genetici in Nature. Ze dateert in elk geval van vóór het eeuwenoude onderscheid binnen het joodse volk tussen de Sefardim-gemeenschap en de Asjkenazim-gemeenschap. Zowel onder priesters van de Sefardim - de joden die oorspronkelijk in Spanje, Portugal en Italië woonden - als onder de Asjkenazim - de joden uit Oost-, Midden- en West-Europa - werden Y-chromosomen gevonden die deze priesterlijke overlevering bevestigden.
De joodse priesters helpen de genetica weer wat verder vooruit, constateren de wetenschappers. Weliswaar hebben hun Y-chromosomen een gemeenschappelijke herkomst, maar er zijn ook subtiele veranderingen aantoonbaar, die door de eeuwen heen ontstonden. In evolutionair perspectief is dat een fractie van een seconde, waarin kennelijk toch minuscule wijzigingen kunnen optreden. Zo vertelt het Y-chromosoom van joodse priesters iets over de evolutie van ons allemaal.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.