In de vijfde eeuw voor Chr. komt in Athene naast de tragedie een unieke vorm van theaterkunst op die in de tijd van één mensenleven zijn bloei en ondergang beleeft: de Oude Komedie. Ze wordt 'de oude' genoemd, omdat in de daarop volgende eeuw een volkomen ander soort blijspel tot ontwikkeling kwam, 'de nieuwe'. Dit type blijspel heeft in essentie dezelfde kenmerken als een modern toneelstuk: een plot, karakters, de uitbeelding van een voorstelbare werkelijkheid.
De Oude Komedie was volstrekt anders. Het was wel een 'blij spel', als je haar vergelijkt met de catastrofe waarmee een 'echte tragedie' hoort te eindigen, maar een blijspel was het niet. Het was een revue, waarin een koor van 24 zangers/dansers liedjes en liederen zong. Daar tussendoor spelen de acteurs hun scènes, die wel door een verhaallijntje met elkaar zijn verbonden, maar veel meer ieder voor zich staan als een 'sketch' waarin een absurde fantasie wordt uitgewerkt.
Een ander opmerkelijk verschil tussen 'oud' en 'nieuw' is dat in de oude komedie de dichter de functie heeft van zedenmeester. In de betrekkelijk kleine gemeenschap die Athene was in de vijfde eeuw hekelt hij in zijn komedie het politieke of maatschappelijke wangedrag van medeburgers, en dit uiteraard tot genoegen van de toeschouwers die precies weten wie er op de korrel wordt genomen.
Toch was de komediedichter niet onkwetsbaar: als de aangevallen persoon kwaad wilde en de dichter aanklaagde, kon deze in de problemen komen. Het bekendste voorbeeld daarvan zijn de problemen die de dichter Aristofanes kreeg met Kleon, de leider van de democraten.
Het functioneren van de oude komedie in de Atheense samenleving bestond dus in een (wankel) evenwicht tussen de dichter, zijn publiek en zijn slachtoffers. De dichter probeert het publiek voor zich te winnen, want hij wil graag de eerste prijs behalen op het festival waarop de komedies werden gespeeld. Hij doet dit door goeie grappen te maken, door in te spelen op de sentimenten van de toeschouwers, én door een opmerkelijk onderdeel van de komedie: de 'parabasis'.
Wat de parabasis onderscheidt van de rest van het stuk, is dat de dichter en zijn publiek hier als het ware 'in conclaaf' gaan: het verhaal van het stuk wordt even gelaten voor wat het is, de dichter brengt bij monde van de koorleider onder de aandacht dat hij de beste komediedichter van dit moment is, en in een sfeer van goedmoedigheid stelt hij vast dat de Atheners toch maar een klootjesvolk zijn.
Het sentiment: 'we zijn hier onder elkaar' bepaalt in grote mate de sfeer van de oude komedie. Het is een spel van ernst en luim, en 'luim' dan in de wat oubollige, kneuterige betekenis die het woord nu heeft. Voor ons is het opvallendste onderdeel van die Atheense luim de grappen over pikken en kutten, pies en poep, en dat met de Griekse equivalenten voor deze schuttingwoorden, van zwaar onvolwassen tot buitengewoon geestig.
Intussen is de ernst wel levensgroot aanwezig. De laatste drie decennia van de vijfde eeuw, de periode waaruit de oude komedies stammen die we nog overhebben, voerde Athene een oorlog met Sparta en andere staten die tegen het eind van de eeuw tot haar capitulatie leidde. Een pestepidemie, en het feit dat de hele boerenbevolking van Attica opeen zat gepakt binnen de stadsmuren wanneer de vijand het platteland verwoestte, waren demoraliserende factoren. In die jaren schreef Aristofanes zijn scherpe politieke komedies en stak de burgers een hart onder de riem.
Van de oude komedie resten ons slechts elf stukken, allemaal van Aristofanes. Zelfs dat is al iets te veel geteld: de laatste twee schreef hij in de vierde eeuw en maken al duidelijk dat de oude komedie heeft afgedaan: ze bevatten geen parabasis meer, en de satire mist de scherpe politieke aanvallen op individuele figuren. De komedie wordt van een Atheens onderonsje een overal in de Griekse wereld begrijpelijke zedenschets.
Komedievertalingen waren tot voor kort heel dun gezaaid in het Nederlandse taalgebied. De reden daarvoor is nauwelijks de 'onwelvoeglijkheid' van het taalgebruik, want in het Victoriaanse Engeland werd Aristofanes wél regelmatig vertaald, al zal de dichter niet hebben begrepen waarom zijn spiernaakte muze al die gordeltjes, wolletjes en broekjes aangetrokken kreeg. Een veel groter probleem vormen de verwijzingen naar personen en zaken (bijvoorbeeld eetgewoonten) die wij eenvoudig niet begrijpen. Waar zit de grap nu eigenlijk in?
Toch is bijna de hele Aristofanes de afgelopen jaren in de fraaie Baskerville-serie van Athenaeum - Polak & Van Gennep in vertaling verschenen. Eerst 'Wolken', 'Vogels' en 'Kikkers' van M. d'Hane Scheltema, toen de drie 'vrouwenstukken' 'Lysistrata', 'Thesmoforiazusae' en 'Ecclesiazusae' van Hein L. van Dolen. Nog geen twee jaar later komt de laatste nu met 'Kolenbranders' (Acharniërs), 'Wespen' en 'Kapitaal' (Ploutos). Het wachten is nog op 'Ridders' en 'Vrede'.
Een van de aardigste dingen van de nu verschenen bundel is dat Van Dolen het eerste ('Kolenbranders', 425 v. Chr.) en laatste ('Kapitaal', 388 v. Chr.) stuk dat van de dichter bewaard is gebleven, aanbiedt. Daardoor wordt de ontwikkeling van de oude komedie ook voor de lezer van het Nederlands zichtbaar. Verder gaat Van Dolen in zijn nieuwe vertalingen veel consciëntieuzer om met de politieke en morele kwesties die de dichter aan de orde stelt.
In zijn vertaling van de vrouwenstukken was hij die problemen nogal uit de weg gegaan, waardoor de indruk werd gewekt dat deze komedies voor een antieke Endemol-fabriek geschreven waren. Hij had het nu ook wat makkelijker: 'Wespen' van 422 is, politiek gesproken, een satire op het Atheense rechtssysteem, en hoewel dat op zich ongelofelijk ingewikkeld is, kom je met Van Dolens inleiding en vooral met het oergeestige 'hondenproces' in het stuk een heel eind. 'Kapitaal' gaat over rijkdom en gebrek, en is het minst van Aristofanes' stukken op specifiek Atheense toestanden gericht.
'Kolenbranders' is dat wel. Het stuk werd opgevoerd toen het hartje oorlog was, en het verwoordt de afkeer van de oorlog van vooral de plattelandsbevolking die zwaar te lijden had onder het jaarlijks verwoesten en in brand steken van haar bezittingen buiten de veilige muren van de stad door de vijand.
De absurde fantasie in dit stuk is die van de boer Dicaeopolis ('Brave Burger' in Van Dolens versie) uit het dorpje Acharnai, die op zijn eentje vrede sluit met Sparta. Weldra is zijn boerenerf een drukbezochte marktplaats. Brave Burger raakt weer in goede doen, en het stuk eindigt met een uitbundig gevierd Kannenfeest waarop Brave Burger de winnaar wordt van de drinkwedstrijd, terwijl generaal Lamachos uit het huis naast het zijne in een sneeuwjacht op veldtocht moet en even later zwaargewond en kreunend huiswaarts keert.
De 'Kolenbranders' hekelt de besluitvorming in de volksvergadering, wijst Athene onverbloemd aan als medeverantwoordelijk voor het ontstaan van de oorlog. Van Dolen heeft bewonderenswaardig zijn best gedaan die politieke en literaire aspecten van de komedie in zijn vertaling door te laten klinken. De liedjes heeft hij rijmend vertaald. Dat brengt er vaart in, en vaak goed gedoseerde mafheid: 'En die schoonheid dan bezitten / door een nacht met haar te pitten', waar Aristofanes het heeft over 'ontpitten' in de betekenis van 'ontmaagden'.
Natuurlijk is het onmogelijk dat zo'n stormvloed aan vertalersvondsten de individuele lezer altijd tevreden stelt. Ik vind bijvoorbeeld 'Eurietje, leuke bink' voor 'Ach mijn zoete Euripides' matig, al gebruikt Aristofanes in zijn satire van de grote tragediedichter wel het koosnaampje Euripidion, 'Euripidessie' bij Van Dolen.
Een stapje verder (en te ver) gaat Van Dolen als hij in de scène waarin Brave Burger de twee als biggetjes verklede dochters van een man uit Megara koopt, de meisjes transformeert tot ruige lesbiennes. Weliswaar krijgen ze gedroogde vijgen gevoerd (pruimen bij Van Dolen) en is 'vijg' in de komedie dubbelzinnig voor het vrouwelijk geslachtsdeel, maar het specifieke woord voor 'gedroogde vijg' is dat niet.
Maar wat veel interessanter is: in de komedie heerst een volstrekt stilzwijgen ten aanzien van vrouwelijke homoseksualiteit. Terwijl mannelijke homo's om de haverklap het doelwit zijn van Aristofanes' spot, lijkt het wel alsof 'lesbo's' een écht taboe zijn in Athene, zelfs in de komedie. De Britse classicus K. J. Dover veronderstelt in zijn studie 'Greek Homosexuality' dat dat stilzwijgen een reflex is van mannelijke ongemakkelijkheid ten aanzien van dit onderwerp, zoals bijvoorbeeld menstruatie iets is waarover je als man behoort te zwijgen.
Maar die uitglijer vergeef ik Van Dolen graag, want er staat zó veel tegenover.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.