*

 
dossier

Archief

Eén juichende zanglijster in de stilte van de winter

HENK VAN HALM − 06/01/96, 00:00

De ijzel maakte wandelen tot een hachelijke onderneming. Bevroren regenplassen met vastgevroren hagelkorrels boden nog enig houvast voor het zoolprofiel van onze laarzen. We hielden zo veel mogelijk de berm van de weg. Het gras kraakte onder onze voeten en onder Joris' poten. De hond had er lol in en rende rondjes zonder doel.

Eenmaal onder de beuken zaaide hij paniek onder de vinken, die er nootjes zochten. Van de overvloedige mast in de herfst was niets meer terug te vinden. De stukgereden nootjes waren weggespoeld en verschimmeld. Maar er lagen ongetwijfeld nog hele in de berm en onder het verdorde blad. Dat was door de ijzel samengekit tot een bobbelige laag, waarop het redelijk veilig lopen was.

We rustten even uit op een omgevallen boom. We trokken een stuk van de loszittende schors. Platte zwarte veters, die zich vertakten en op ettelijke plaatsen dwars met elkaar verbonden waren, vormden een grof netwerk over het licht gekleurde, uitgedroogde hout. Die veters zijn rhizomorfen van de honingzwam, op wortels lijkende myceliumstrengen, die meters ver kunnen uitgroeien van de plek waar een honingzwamvlok zich heeft gevestigd. Daarmee dringt de honingzwam via de wortels in omringende levende bomen, die hij eerst parasiteert en tenslotte doodt. De honingzwam is niet voor niets een van de beruchtste boomparasieten. Ook deze eik zal er wel aan dood zijn gegaan. Op veel plaatsen was het hout bleek vermolmd, de witte rot die kenmerkend is voor aantasting door honingzwammen.

De rhizomorfen zouden soms aan hun groeipunten fluoresceren, licht geven in het donker. Zo staat het tenminste in (vooral wat oudere) paddestoelenboeken, maar ik heb zelf dat fluoresceren nooit gezien.

HEGGESCHAAR Het hout van de dode boom zat vol houtwormgaatjes als in een oud meubel. De gaatjes markeren waar de houtkevers de boom hebben verlaten. Niet waar ze erin zijn gegaan, zoals de meeste mensen denken. De houtkevers gaan helemaal het dode hout niet in, al verblijven ze soms geruime tijd in de door de larven uitgevreten gangen. Ze leggen er alleen hun eitjes, waarna de larven gangen in het hout boren en als ze volgroeid zijn, zich vlak onder de oppervlakte verpoppen. Er bestaan verschillende soorten houtkevers die als houtworm worden aangeduid. In eiken zijn het meestal de larven van de lijnvormige houtboorder en van de bonte klopkever, die ook nogal eens in eiken balken worden aangetroffen.

Een beukenlaan begrensde een kale maïsakker vol berijpte aardkluiten. Kramsvogels vlogen op en streken neer in de boomtoppen. Kramsvogels zijn lijsters, iets groter dan een merel of zanglijster, van onderen gezien met grijze vleugels, witte buik en beigebruine borst, en gemakkelijk te herkennen aan hun roep: 'tjak-tjak-tjak...'. Of, zoals Lars Jonsson dat in Vogels van Europa kernachtig omschrijft: 'als geluid van grote heggeschaar'. De kramsvogels bleven voortdurend roepend heen en weer vliegen, van boom naar boom.

Deze kramsvogels zijn afkomstig uit Scandinavië, Finland en West-Rusland, waar ze net zo algemeen zijn als bij ons de merels. Toch zijn het geen typisch noordelijke vogels. Ze horen evenzeer thuis in Midden-Europa en de laatste decennia ook steeds meer in het westen. Ik zag ze voor het eerst broedend in de Morvan, het rotsmassief in het midden van Frankrijk, waar ze nog steeds als broedvogel behoorlijk zeldzaam zijn. Er broeden nu in ons eigen land, met name in Zuid-Limburg en de oostelijke provincies, ettelijke honderden paren.

KOPERWIEKEN In tegenstelling tot de kramsvogels broeden koperwieken wel voornamelijk in het noorden, vooral in de berkenbossen van Scandinavië, Finland en Noord-Rusland. Een hele troep koperwieken zocht voedsel in de luwte van de beukenlaan. Overal was het dorre blad weggekrabd en opzij geworpen, zoals ook merels dat doen. Toen Joris eraan kwam, vloog de troep alle kanten uit, niet naar de boomtoppen, maar naar een bosje verderop.

Koperwieken lijken nog het meest op zanglijsters. Ze hebben dezelfde dofbruine kleur op rug en staart en dezelfde crèmewitte buik, maar met rijen vagere spikkels op borst en buik en een roestrode vlek op de flank, die nog net onder de vleugel te zien is als de vogels rondhippen of in een boom zitten. Bij vliegende koperwieken valt die oranjerode kleur veel meer op. Een treffend kenmerk, dat koperwiek van zanglijster onderscheidt, is ook de lichte wenkbrauwstreep.

De boterachtig glanzende gele hoeden van de fluweelpootjes waren met een ijsvliesje bedekt, als geglazuurd. De taaie steel van dit paddestoeltje, dat juist in de wintermaanden in bundels uit stronken te voorschijn komt, is donkerbruin viltig behaard.

SLAP VAN DE KOU Een vlier had nog groene bladeren, slap naar beneden hangend en bevroren. Het was alsof de winter ze had ingehaald, maar ik dacht eerder dat de struik getalmd had met zijn laatste blad af te schudden. Sommige zomereiken zaten nog vol blad, beige verdord, maar soms toch ook nog met een vleug groen. Op de kromme, verwrongen stam van een oude eik groeide een doolhofzwam waar een dikke tak had gezeten, net boven twee oude spechtenesten. Groene spechten hakken bij voorkeur in eiken op plekken die niet helemaal gezond meer zijn. De doolhofzwam veroorzaakt een rood gekleurde rot in het eikehout, zelfs in bewerkt timmerhout, als hij op een vochtige plaats de kans krijgt zich daarin te vestigen.

De taaie, kurkachtige zwam is helemaal niet zeldzaam en hoofdzakelijk op eiken te vinden. De vruchtlichamen groeien jarenlang, tot ze een paar centimeter dik en meer dan een decimeter breed zijn. Ze komen zonder steel uit het hout te voorschijn, net zoals tonderzwammen en elfenbankjes. De bovenkant is grauwbruin als de boomschors, maar de onderkant vertoont een fascinerend patroon, waaraan de doolhofzwam zijn naam ontleent. Aan die onderkant zitten buisjes, die van binnen helemaal zijn overtrokken met het kiemvlies, waarin de sporen gevormd worden. Bij andere gaatjeszwammen zijn de openingen van die buisjes rond en zo klein als speldeprikken, maar bij de doolhofzwam zijn ze spleetvormig en grillig gebogen. Met elkaar lijken ze op de plattegrond van een doolhof.

De zon ging onder in roze pasteltinten. In de verte klonken de juichende strofen van een zingende zanglijster. Ondanks onze dik gevoerde laarzen hadden we koude voeten gekregen. Joris had er ook niet veel zin meer in. Tussen ons sjokte hij voort, zijn flaporen op en neer deinend bij elke stap. Een kilometer verder was een ouderwetse herberg, met opgezette vogels boven de toog en geweien aan de wand, maar vooral met een heteluchtkachel, erwtensoep en glühwein.

mailIcon print |