Karel van het Reve, die deze week overleed, was op zijn best als hij essays schreef. Met zijn heldere pen en ijzeren logica kon hij op papier alles bewijzen. Zijn communistische opvoeding, die zijn broer Gerard de katholieke kerk deed binnengaan, leidde bij Karel tot liefde voor de Russische literatuur.
Karel van het Reve (1921) groeide samen met zijn broertje Gerard op in Betondorp, een toen pas gebouwde Amsterdamse buitenwijk. Karels vader, de journalist Gerard van het Reve, was een overtuigd communist en bracht zijn bewondering voor de Russische heilstaat op zijn zoons over. De communistische opvoeding liet diepe sporen na in het leven van Karel van het Reve. Op jonge leeftijd al las hij het werk van Marx en de romans en toneelstukken van de klassieke Russische schrijvers.
Toen hij net dertien was, vertaalde hij Paustovski uit het Duits. Zijn fascinatie voor de Russen is nooit verdwenen. Van het Reve's studie slavistiek leidde tot een soepele carrière als vertaler en wetenschapper. In 1954 promoveerde hij op het proefschrift 'Goed en schoon in de Sovjet-kritiek'. Vier jaar later werd hij als hoogleraar benoemd aan de Universiteit van Leiden.
In zijn essaybundel 'Afscheid van Leiden' schreef Van het Reve over zijn aanstelling in de stad 'waaraan het wereldgebeuren goeddeels voorbijging': ,,Dat hadden jullie niet gedacht, zei ik tegen mijn vrienden, dat ik nog eens benoemd zou worden aan de Boroboedoer der bourgeoisie. Misschien kan ik dat in mijn oratie ter sprake brengen. Dat durf je niet, zeiden ze. Wedden? vroeg ik. Zo won ik tien flessen sterke drank, meer dan ik later ooit in huis heb gehad.'
De communistische overtuiging, die Van het Reve met de paplepel was ingegoten, sloeg uiteindelijk om in haar tegendeel. ,,Op een ochtend in de jaren veertig ben ik als niet-communist wakker geworden.' Dat onderkoelde zinnetje illustreert nauwelijks hoe fervent hij in de jaren zestig en zeventig ten strijde is getrokken tegen het communisme. Nu lijkt dat wellicht meer voor de hand liggend dan het toen was. In de jaren zestig en zeventig hechtten aan de Nederlandse universiteiten nogal wat mensen geloof aan de marxistische filosofie. ,,Dat intellectuelen, schrijvers, academici dat (..) geloofd hebben en zich niet met walging hebben afgekeerd - dat blijft iets ontstellends', schreef Van het Reve.
Hij liet zijn verzet niet bij woorden alleen. In de korte tijd dat Van het Reve in Moskou verbleef als correspondent voor 'Het Parool', in 1967 en 1968, legde hij contact met een aantal Russische dissidenten. Hij zorgde er voor dat het 'Memorandum' van Andrei Sacharov in het buitenland werd gepubliceerd. In 'Het geloof der kameraden' uit 1969 sneed hij de rode doctrine aan stukken. Toen al voorspelde hij, ver voor de tijd van 'glasnost' en 'perestroika', de ondergang van de Sovjet-Unie.
In vergelijkbaar scherpe en ironische stijl viel Van het Reve in 1978 in de Huizingalezing 'Het raadsel der onleesbaarheid', de 'zogenaamde literatuurwetenschap' aan . Hij verweet in zijn lezing de beoefenaren hiervan dat zij geen enkele originele gedachte ontwikkelen en niet in staat zijn een leesbare zin of alinea te produceren.
Originaliteit en leesbaarheid, dat waren bij uitstek de kenmerken van Van het Reve's eigen geschriften. De afkeer van humbug en opgeblazenheid klonk bijvoorbeeld in zijn 'Geschiedenis van de Russische literatuur'. Nuchter stelde hij in het voorwoord: ,,Ik heb gewoon verteld wat mij de moeite van het vertellen waard leek.' Ook uit zijn komische detective-achtige romans 'Twee minuten stilte' en 'Nacht op de kale berg' sprak in de eerste plaats het plezier van het vertellen.
Ondanks de verdiensten van zijn wetenschappelijke werk en de aanstekelijke ironie in zijn romans, bestond Van het Reve's belangrijkste werk zonder twijfel uit zijn essayistiek. De vijftien essaybundels die hij gedurende zijn leven publiceerde staan als een huis. De prachtige, een tikkeltje archaïsche, maar glasheldere zinnen verraden zijn voorkeur voor schrijvers als Elsschot en Annie M.G. Schmidt. Voor die in sprankelende taal gevatte betogen kreeg Van het Reve in 1981 de P.C. Hooftprijs. Het paste bij hem, dat hij de toekenning van Nederlands belangrijkste literaire prijs relativeerde. In 'Marius wil niet in Joegoslavië wonen' merkte hij al laatdunkend op: ,,Er zijn nu eenmaal weinig auteurs die men een prijs kan toekennen zonder dat het al te belachelijk wordt, en er zijn ook maar weinigen die men met goed fatsoen in een jury kan zetten. Dezelfde tien, twintig namen zullen dus in telkens andere volgorde weer opduiken, maar alleen nog met pijnlijker frequentie.'
Uit bovenstaande, maar ook uit vele andere stellingen van Karel van het Reve, blijkt dat hij het lang niet altijd bij het rechte eind had. Hij nam rustig stelling in zaken, waar hij eigenlijk niet veel van afwist. Hij matigde zich een oordeel aan over boeken die hij niet had gelezen, en weerlegde de theorie van Darwin zonder er veel inzicht in te hebben. Toch was je altijd geneigd hem gelijk te geven, simpelweg omdat hij een ijzeren redeneertrant paarde aan een flinke dosis Reviaanse humor.
Van het Reve maakte dat bedrieglijke proces tot inzet van één van zijn beste bundels: 'Uren met Henk Broekhuis'. Gebruikmakend van een volstrekt tegenstrijdige logica haalde hij in korte betoogjes sjieke, vastgeroeste opinies onderuit. Zo vielen bijvoorbeeld de gedachten dat 'zwemmen bij eb veel gevaarlijker is dan zwemmen bij vloed', 'vergelijkingen ter verduidelijking dienen' en dat 'schrijvers de taal verrijken' ten prooi aan de vernietigend-komische inzichten van Henk Broekhuis.
Op 11 mei 1996, in de laatste 'Achteraf', de column die hij wekelijks voor 'Het Parool' maakte, gaf Van het Reve toe dat het schrijven hem in het geheel niet gemakkelijk af ging. ,,Ik ben altijd een 'agony writer' geweest: ijsberen, verbeteren, opnieuw beginnen. (...) IJsberen. Mij afvragen waarom wat ik schrijf iemand zou kunnen interesseren. IJsberen.' Een verbazingwekkende confessie, omdat de vlekkeloze zinnen van Van het Reve altijd de indruk wekken als vanzelf tot stand te zijn gekomen.
Toch moet het Van het Reve steeds moeilijker zijn gevallen, het hoge niveau te handhaven. Naast de ziekte van Parkinson kwam daar de vergeetachtigheid bij.
In 'Mijn eigen dood', dat in 1990 in de bundel 'De ondergang van het morgenland' werd opgenomen, zei hij: ,,De gedachte dat ik over enkele jaren niet meer zal bestaan heeft niets angstwekkends.' Desondanks constateerde hij aan het slot van hetzelfde stukje met lichte spijt dat hij zijn persoonlijke geschiedenis met zich mee zou nemen in zijn graf: ,,Wonderlijk is, dat na mijn dood ook mijn herinneringen verdwijnen.' Gelukkig blijven zijn geschreven herinneringen in de boekenkast schitteren.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.