Ik weet nu, wat ik had vermoed, Dat ieder hunkert naar zijn droom. Wij zijn niet wijs, wij zijn niet vroom, Wij leven buiten slecht en goed. (Willem de Mérode, Verzamelde gedichten, 1987)
Op de koude winteravond van 26 februari 1924 werd Willem Keuning (1887-1939) - de christen-dichter Willem de Mérode - gearresteerd wegens ontucht. Tegen zijn hospita zei hij bij zijn arrestatie: “Ik ga even weg, hoor.” Dat even werd acht maanden, in gevangenis, en in feite was hij weg voor altijd. In het Groningse Uithuizermeeden kon hij nooit terugkeren; hij verbande zichzelf na zijn gevangenschap naar Eerbeek. Voor de dorpelingen was hij niet langer een populaire onderwijzer maar een pedofiel die misschien allerhande onzedelijks met hun kinderen had uitgehaald. Het bestuur van de christelijke lagere school waar hij les gaf, heeft hem een week na zijn arrestatie ontslagen. De gereformeerde kerk veroordeelde zijn zondiging tegen het zevende gebod en het verleiden van jonge mensen tot die zonde, en stelde hem onder de kerkelijke tucht. De kerkenraad handelde volgens haar bijbelse opdracht de gemeente te leiden en het kwaad te bestrijden.
De rechtzaak was een drama voor Keuning en de affaire werd een groot schandaal. In een brief schrijft hij: “En nu was de justitie in Groningen zoo klein, dat ze terwijl ze allerlei menschen liet loopen in de stad zonder er iets aan te doen, op het geval van een chr. onderw. inging niet alleen: maar alle jongens die in 17 jaar tijds bij me geweest waren, ging ondervragen. Getrouwden zelfs. Daardoor werd het een vreeselijk schandaal.”
Toen Reind Kuitert (1891-1983) - de eerste jongen van wie we weten dat Keuning hem aantrekkelijk vond - hem opzocht in de gevangenis, ontkende Keuning dat er exacte feiten waren aan te wijzen en hij vertelde dat er onjuiste getuigenissen waren afgelegd. En Keunings advocaat heeft gezegd dat er in Amsterdam geen haan naar die affaire gekraaid had omdat er eigenlijk nauwelijks iets was gebeurd.
Willem Keuning ontdekte zijn erotische aanleg “al heel, heel vroeg, als jonge jongen nog, en door een woordenboek. Toen dacht ik dadelijk: zoo is mijn aanleg”. Maar in een openhartige brief maakt hij duidelijk dat hij zijn homoseksueel contact tot één persoon beperkt heeft: “Ik ga over dat proces praten. Weet je hoe hartstochtelijk ik ben en hoe zinnelijk? Met mij is nooit wat gebeurd. Ik geef er totaal niets om. Als ik een jongen maar een beetje mag verwennen. Jopie gaf er nu wèl om, en omdat hij zoo aardig was geweest om mij te willen troosten toen Okke (De Mérode's lieveling en belangrijkste inspiratiebron) wegging, zei ik: nou vooruit, fiat, laat ik het dan maar doen. Het was natuurlijk oer-oer-stom. Dat geef ik graag toe. Nu kwamen de verhooren. En dacht je nu dat ze dit betrekkelijke bagatel wilden gelooven? Nee, en daarom werd ik eerst voor huichelaar uitgemaakt, en die arme jongen zal wel heel wat hebben moeten hooren. Enfin, eindelijk moesten ze 't gelooven. En toen? Toen zeiden de weledelzeergestrengen: u is niet wijs. Als u dan toch begon, zou ik er zelf ook maar mijn profijt van genomen hebben.”
De rechtbank achtte niet alles bewezen waarvan Keuning beschuldigd was. Hij werd veroordeeld tot acht maanden gevangenisstraf wegens ontuchtige handelingen met één jongen in de eerste twee maanden van 1924. Naar artikel 248-bis, dat in 1911 van kracht is geworden, waardoor een meerderjarige strafbaar is als hij homoseksuele contacten heeft met een minderjarige wiens minderjarigheid hij kent of redelijkerwijs moet vermoeden.
De officier van justitie betrok ook De Mérode's gedichten in de zaak, zoals dat ook gebeurde in de rechtzaak tegen Oscar Wilde in 1895 toen hij beschuldigd werd van homofilie. Tijdens de zitting las de officier zijn gedichten over jongens voor en zei: zo schrijft hij en zo doet hij.
Hans Werkman schrijft in De Mérode en zijn jongens dat Willem Keuning zijn pedofiele aard beleefde als Willem de Mérode in honderden gedichten. Hij bracht zijn gevoelens voor enkele jongens vooral op platonische wijze tot uitdrukking. Het gedicht Avond schreef De Mérode bijvoorbeeld voor Reind Kuitert. Een bijbels klinkend motto dat niet in de bijbel te vinden is, vergezelt het vers:
Mijn Koning zal mij stemmeloos voorbijgaan
Reind
Nu waakt, wat heel den dag gezwegen, Mijn oud verlangen weer in mij. Gij gaat met aarzelende schreden En stemmeloos, mijn raam voorbij. En ik, vervuld van zorg en zonde, Strek de armen, wijl ik naar u schrei... Alleen de stilte doet de ronde... Gij gingt mij stemmeloos voorbij. (Hans Werkman, De Mérode en de jongens (1991))
Veel bewonderaars van De Mérode hebben gedacht dat zijn verzen zijn verhouding tot Christus verwoorden. De twee opmerkelijke karakteristieken van deze dichter zijn soms verstrengeld in zijn werk. Hij verloochende zijn geaardheid niet maar toonde diep berouw.
Hij toonde zeker berouw voor de knapenschending waarom hij veroordeeld was. Hans Werkman citeert in De wereld van Willem de Mérode uit het notulenboek van de kerkenraad van Uithuizermeeden: “Keuning had bekend, reeds lang met die zonde te hebben geworsteld, maar kan er niet mee breken. De Praes. is van meening, dat er schuldbesef bij den gevallen broeder aanwezig is, en berouw van zijn zonde.”
Ondanks zijn belijdenis werd Willem Keuning toch “onder den eersten trap der Kerkelijke tucht” gesteld omdat hij gezondigd had tegen het zevende gebod waarin alle onkuise daden, gebaren, woorden, gedachten en lusten, en wat den mens daartoe trekken kan, worden verboden. En omdat hij jonge mensen tot die zonde verleid had. Keuning mocht geen Avondmaal meer vieren.
heer, liefde hebt gij van mij weggenomen, maar ook 't gehuichel van de schijnbaar vromen. zij dringen ver van zondaars zich tezaam. 't is goed, laat mij maar eenzaam tot u komen'.
De kerk was aangeslagen, onthutst en hield vast aan haar opdracht de gemeente te leiden en het kwaad te bestrijden. De woorden van Christus “Ik veroordeel u niet, ga heen, zondig van nu af niet meer” (Johannes 8:11) kwamen niet in de hoofden van de kerkenraadsleden en dorpelingen op. Aan een pleidooi voor de acceptatie van pedofilie of aan de woorden van Vissinga - 'Van echte liefde wordt een mens nooit minder' - dachten zij geen moment.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.