Uitzending: radio 4, 25 jan. vanaf 19 u.
Een waar pandemonium brak los toen de laatste klanken wegstierven. Ruim een kwartier applaus en gestampvoet gaven aan dat het met de authentieke beweging in de muziek ver gekomen is. Een onbekend meesterwerk als 'Ariodante' kan nu door een volle zaal op waarde geschat en bejubeld worden. Bovendien waren alle ingrediënten voor de uitvoering van sublieme kwaliteit. Bevorderlijk voor de sfeer van opera was de lichte vorm van enscènering; zangers kwamen op, reageerden op elkaar met een handgebaar of een omhelzing.
Marc Minkowski bleek als geen ander in staat om het drama, de schwung en het spel tussen licht en donker in de muziek van Hündel te doorgronden. Zo'n op papier simpel ogend voorspel van tien maten waarmee de tweede akte begint, werd - onder zijn handen en op de instrumenten van Les Musiciens du Louvre - de goddelijke verklanking van de opkomst van de maan die Hündel voor ogen moet hebben gehad.
'Ariodante', uit 1735, stamt uit de laatste scheppingsperiode van Hündel, in het rijtje met iets bekendere werken als 'Alcina' en 'Serse'. Het verhaal draait om een zoete liefde tussen de titelloze edelman Ariodante (geschreven voor een castraat-sopraan) en Ginevra, de dochter van de koning van Schotland. Hun idylle wordt verstoord door de afgunst van Polinesso, aangeduid als de hertog van Albany (een rol voor een castraat-alt); hij weet Dalinda, vriendin van Ginevre over te halen zich voor te doen als Ginevra tijdens een nachtelijke ontmoeting met hem, om op die wijze Ariodante tot verstoting van zijn geliefde te dwingen.
De waanzin waarin Ariodante geraakt, de woede van de Schotse koning, de wanhoop van Ginevra en de reacties daarop van een aantal hovelingen, drukte Hündel uit in parelsnoer van aria's en duetten, bestaande uit echte parels, niet van die gecultiveerde. Elke parel weer anders, met zijn eigen unieke kenmerken.
De duurste waren de twee voor Ariodante zelf, respectievelijk in de tweede en de derde akte. In de eerste ('Scherza infida') in g klein is de held op het dieptepunt van zijn ellende, in de tweede ('Dopo notte') in D groot bezingt hij het toppunt van zijn geluk. Het zijn de ijkpunten en de emotionele uiteinden in deze opera. De wereldberoemde Zweedse zangeres Anne Sofie von Otter was werkelijk onnavolgbaar in beide.
In 'Scherza infida' waagde zij in samenwerking met Minkowski de gok om de gehele reprise van de aria pianissimo te zingen. Langer kan een opgeroepen spanning in het Concertgebouw nooit geduurd hebben. Weergaloos daarbij de twee fagotten (klinkend als één) die Hündel zo bloedmooi door de zangpartij vlocht.
Alle remmen los
In 'Dopo notte' gooide Von Otter alle remmen los waardoor deze jubelende, dansante aria een geweldig feest werd. Iemand die zo inventief en met een zo perfecte techniek een loopje neemt met Hündels melodieën is er bij mijn weten niet eerder geweest.
Nog zo'n loopje, maar dan met de natuur, is het stemgeluid van de Poolse Ewa Podles, die de boosaardige rol van Polinesso zong. Wat zij aan onbevroede diepe en hoge tonen op haar stembanden heeft zitten, tart elke beschrijving. Goed gecast ook, deze verzengende stem naast het adellijke geluid van Von Otter.
Lynne Dawson was als Ginevra ook al zo goed in vorm. De generale pauzes in haar aria in de tweede akte werden door Dawson en Minkowski tergend lang genomen; de zangeres wist er desondanks een prachtige lijn in aan te brengen. Richard Croft zong mooi als Ariodante's broer Lurcanio en met ontdekkingen als sopraan Veronica Cangemi (Dalinda) en de jonge Russisch-Israëlische bas Denis Sedov (koning van Schotland) was dit een bezetting om te zoenen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.