*

 
dossier

Archief

De samenleving heeft meer behoefte aan een 'hindermacht'

WILFRIED VAN DER BLES; RUUD VAN HEESE − 09/02/96, 00:00

DEN HAAG - “Ja hoor, ik wel”, antwoordt Joop van den Berg op de vraag, of hij in de trein nog wel aan medereizigers durft te vertellen dat hij lid is van de Eerste Kamer. “En als lid van de Eerste Kamer durf ik ook nog gewoon op mijn werk te komen. Maar er zijn daar mensen - waar ik werk, wordt het politieke proces natuurlijk met speciale belangstelling gevolgd - die vinden dat ik wèl een paar dingen uit te leggen heb.”

Van den Bergs werkkring is de universiteit van Leiden, waar hij hoogleraar Nederlandse politiek en parlementaire geschiedenis is. Maar bij het grote publiek geniet hij meer bekendheid als voorzitter van de PvdA-fractie in de Eerste Kamer, de fractie die zo hoog inzette in haar verzet tegen het plan de Ziektewet af te schaffen, maar die deze week in de nacht van dinsdag op woensdag uiteindelijk toch unaniem voorstemde.

De gang van zaken heeft vragen opgeroepen omtrent de aanpak van zijn fractie en de rol van de Eerste Kamer. Heeft de PvdA niet te hoog ingezet? Was zoveel rumoer nodig om de toezegging los te krijgen, waarmee staatssecretaris Linschoten de sociaal-democraten over de streep trok? En: welke rol dient de Eerste Kamer te spelen? Welke verwachtingen mag ze oproepen? In welke mate kan ze die waarmaken? Wat zijn de effecten op het vertrouwen van burgers in de politiek?

Van den Berg begint met de erkenning dat het deze week zeker niet allemaal uitstekend is verlopen. “De kritiek op de gang van zaken kan ik voor een deel onderschrijven”, zegt hij, om zich vervolgens te zetten aan een verklaring.

Belangrijker

“Het probleem is dat de Eerste Kamer door de jaren heen met sprongetjes politiek belangrijker is geworden. Sinds de jaren '80 hebben we ook tegelijkertijd twee ontwikkelingen gezien. Het effect van het besluit om de Eerste Kamer in haar geheel te kiezen, in plaats van steeds de helft te vernieuwen, is onderschat. Het heeft bij een aantal mensen het misverstand opgeroepen dat de Eerste Kamer een actuelere volksvertegenwoordiging is dan de Tweede Kamer.”

“Parallel daaraan zie je dat de rechterlijke macht steeds meer ruimte kreeg om wetten te toetsen. Niemand in dit land vraagt naar het rechtsgehalte van beslissingen als het gaat om de verruiming van aanspraken. Maar zodra het gaat om een beperking ervan, dan wordt iedereen heel alert. De maatschappelijke behoefte aan een 'hindermacht' is toegenomen.”

Dat de Eerste Kamer meer en meer als laatste strohalm wordt gezien, heeft volgens Van den Berg niets te maken met het feit dat de Tweede Kamer steeds slechter werk is gaan leveren. “Dat is onzin, het tegendeel is waar. De Eerste Kamer heeft met haar kritiek op wetsvoorstellen ook helemaal niet het oogmerk dat beeld op te roepen, al erken ik wel dat dat het effect kan zijn. Het is wel zo dat de politieke binding in de Tweede Kamer aan afspraken groter is, en dat men dan ook wat meer dan wij bereid is om bepaalde zaken voor lief te nemen. Nee zeggen tegen een voorstel is niet zo makkelijk als er politiek veel in is geïnvesteerd.”

Anders dan in het debat over de Algemene nabestaandenwet, in december '95, waren de bezwaren van de PvdA tegen de Ziektewetplannen niet van wetstechnische, maar van politieke aard. “Als wet is de Ziektewet niet zo slecht, al zijn er hier en daar nog losse eindjes. Het ging hier om politieke bezwaren, en daarom stond de PvdA ook alleen in de coalitie. En in onze fractie wogen - door de aanwezigheid van naar verhouding nogal wat 'ouderwetse' sociaal-democraten - die politieke bezwaren wellicht wat zwaarder dan in de PvdA-fractie in de Tweede Kamer.”

De PvdA-senatoren zetten hoog in. Het kabinet zou aan de bezwaren tegemoet moeten komen, of anders openlijk met een kabinetscrisis moeten dreigen om de PvdA in het gareel te dwingen. Het resultaat was een toezegging van Linschoten, waarbij menigeen buiten de PvdA de wenkbrauwen verbaasd optrok. Was dat nou alles? Ging de PvdA op basis hiervan overstag?

Maar volgens Van den Berg stelt de toezegging van Linschoten meer voor dan anderen denken. “Wij hebben wel degelijk iets bewerkstelligd. Ik hou er rekening mee dat de privatisering van de WAO niet lukt, omdat die technisch moeilijk uitvoerbaar is. Maar de premiedifferentiatie in de WAO komt er wel. En de toezegging van Linschoten betekent niet alleen, dat de instroom in de WAO wordt afgeremd, maar ook dat de selectie aan de poort, het strenger selecteren van nieuw personeel, wordt beperkt. Ondernemers zijn gevoelig voor lastenverlichting. Ze hebben liever een korting op een premie die ze moeten betalen, dan een subsidie. Want die moet je weer apart aanvragen.”

Volgens Van den Berg was het absoluut nodig om hoog in te zetten. “Tweede Kamer en kabinet zijn nog niet helemaal ingesteld op de inbreng van de Eerste Kamer. Die hebben vaak het idee: als wij het eens zijn, dan hebben we het gehad. Maar dan hebben ze het nog helemaal niet gehad! En als wij ons vervolgens roeren leidt dat bij hun vaak tot de reactie: wat krijgen we nou?!”

“Je moet als Eerste Kamer ook een ongelooflijke hoop herrie maken, voordat er überhaupt beweging in komt. In de schriftelijke voorbereiding van een debat is voor een minister de verleiding erg groot om de Eerste-Kamerleden met een kluitje in het riet te sturen. Je móet dus wel een sfeer van dreiging opbouwen, anders gebeurt er gewoon niets. En ook in de aanloop naar het debat over de Ziektewet hadden wij alle reden om te veronderstellen dat we alleen op deze manier een verzachting van de plannen eruit konden slepen.”

Journalistiek

Liever zou Van den Berg zulk 'politiek theater' vermijden. Want de Eerste Kamer loopt wel risico's, als ze na een hoop commotie uiteindelijk toch gewoon akkoord gaat met een voorstel. “Allereerst is er de journalistiek, vooral de tv-journalistiek. Je ziet gewoon de teleurstelling op de gezichten als blijkt dat het niet nodig is om met een kabinetscrisis te dreigen. Je kunt ze niets ergers aandoen dan het drama weg te nemen, want de televisie heeft drama nodig.”

“Je màg de werkelijkheid niet op de televisie afstemmen. Maar het gevaar bestaat dat de fractie beschadigd raakt, of de hele Eerste Kamer. Want in het verlengde van de journalistiek zullen ook veel kiezers het niet begrijpen als je uiteindelijk toch akkoord gaat. Het is een duivels dilemma: aan de ene kant heb je die dreiging nodig om iets te bereiken, aan de andere kant kan het desastreus uitpakken op het vertrouwen van de kiezer in de politiek.”

Sinds 1993 is het nu de derde keer geweest dat de PvdA-fractie in de Eerste Kamer bij maatschappelijke organisaties grote verwachtingen heeft gewekt die vervolgens op de valreep niet zijn waargemaakt. In '93 slikten de PvdA-senatoren de WAO-ingreep, eind vorig jaar de nieuwe Nabestaandenwet en dan deze week de afschaffing van de Ziektewet.

Van den Berg: “Ik voorzie dat het voorlopig niet soepel zal blijven lopen tussen Eerste Kamer enerzijds en kabinet en Tweede Kamer anderzijds. Daar maak ik me geen illusies over. We hebben het proces ook niet in de hand. De Tweede Kamer praat wel veel met allerlei instanties, maar straalt sinds Raad op maat (het rapport van een Kamercommissie over het terugdringen van het aantal adviesorganen, red.) een houding uit die ik modieus vindt, maar waardoor de Eerste Kamer inderdaad steeds meer als Kamer van herkansing wordt gezien.”

“Voor de toekomst zijn er drie mogelijkheden. Of deze ontwikkeling naar een zwaardere rol voor de Eerste Kamer zet zich door en dan ontkomen we er niet aan een of andere vorm van conflictregulering tussen Eerste en Tweede Kamer in het leven te roepen. Of we slagen er wel in dit proces terug te draaien en dan krijgt de Eerste Kamer haar redelijk terughoudende positie van vroeger terug. Ofwel de hindermacht van de Eerste Kamer blijkt niet te keren, terwijl we evenmin in staat zijn tot een conflictregeling te komen. In dit laatste geval is het voortbestaan van de Eerste Kamer zelf in het geding.”

Referendum

Van den Berg heeft een duidelijke voorkeur: “Als het referendum in Nederland van de grond komt en als de toetsingsmogelijkheden voor de rechterlijke macht zich verder uitbreiden, dan moet je je in ernst afvragen of de Eerste Kamer wel moet blijven voortbestaan.”

Van den Berg bepleit om in de tussentijd Eerste en Tweede Kamer op een en dezelfde dag te laten kiezen. Dit om te voorkomen dat de politieke samenstelling van de twee Kamers uiteen loopt. De huidige Tweede Kamer werd gekozen in 1994, de huidige Eerste Kamer vorig jaar. In de Eerste Kamer is de VVD-fractie veruit het grootst en heeft dus ook meer macht dan in de Tweede Kamer. Van den Berg constateert tot zijn opluchting dat VVD-fractieleider Korthals Altes deze machtspositie niet uitbuit. “Daar heb ik groot respect voor.”

Aangezien de PvdA-senator niet verwacht dat de Eerste Kamer gemakkelijk 'terug in het hok' gedrongen kan worden, meent hij dat tot aan het moment van afschaffen van de Eerste Kamer aan een of andere vorm van conflictregeling niet valt te ontkomen: “Anders loopt het bestel vast.”

Van den Berg heeft daarover nog geen uitgewerkte gedachte, maar zegt hij: “Ik denk aan de mogelijkheid van een Verenigde Vergadering van Eerste en Tweede Kamer. Het voordeel daarvan is dat de Tweede Kamer (150 zetels) het primaat houdt ten opzichte van de Eerste Kamer (75 zetels). Daar hecht ik aan. Pas bij ernstige verdeeldheid in de Tweede Kamer kan de Eerste Kamer in die Verenigde Vergadering de doorslag geven.”

mailIcon print |