CAMBRIDGE - Langzaam schuift het kadaver van de koe de verbrandingsoven in. De temperatuurmeter schiet omhoog en bereikt al gauw de 1000 graden Celsius. Een weeë geur van verbrand vlees hangt rond terwijl de vlammen zich meester maken van het dier. Het proces duurt zo'n anderhalf uur, zegt operations controller Nick Gant, dan is het kadaver volledig in rook opgaat.
Buiten de grote loods van het Cambridge Pet Crematorium liggen nog vier koeienkadavers te wachten op hun beurt. Net gedood op de boerderij in de omgeving en net aangevoerd, in de koude buitenlucht slaat de damp er nog van af. De vijf koeien die er vandaag in het dierencrematorium nabij het Britse Cambridge doorheen gaan, missen geen van alle de kop. Het zijn dan ook geen BSE-koeien, geen exemplaren die verdacht worden van de 'gekke koeien'-ziekte, die na consumptie bij de mens de dodelijke ziekte van Creutzfeldt-Jakob kan veroorzaken. Die kadavers worden immers meteen na doding onthoofd, waarna de koppen voor hersenonderzoek naar de diverse laboratoria gaan.
Het zou overigens een toevalstreffer geweest zijn als we de crematie van een verdachte 'gekke koe' hadden mogen aanschouwen. Hier, in het Cambridge Pet Crematorium, worden niet meer dan zes à zeven BSE-koeien per week vernietigd, zegt directeur-manager Ray Hale. En dat geldt in Engeland ook voor de andere negen grote destructiebedrijven, groot genoeg althans om de kadavers van de gedode BSE-koeien 'in serie' te vernietigen.
En dat zijn er toch, naar de geruststellende woorden van landbouwminister Douglas Hogg tenminste, gauw zo'n 55 000 per week. Maar in plaats van naar de crematoria gebracht, worden die 'onthoofde' kadavers opgestouwd in vrieshuizen in den lande, weet Hale. En zo moeten de crematoria - alle tien particuliere ondernemingen - zich voorlopig onledig houden met de vernietiging van alle andere 'onslachtbare' koeien, de kreupele, verlamde en anderszins zieke, niet voor consumptie geschikte koeien.
Zoals bij Cheals in Essex, een ander groot crematorium in de buurt van Londen. De directie daar is echter aanzienlijk minder mededeelzaam dan die in Cambridge. Ze hebben geen behoefte aan pottenkijkers. Aan de suggestie van het regeringsbureau voor veterinaire meldingsplichtige ziekten, waaronder BSE valt, om een kijkje te nemen bij hen, bij Cheals, hebben ze maling. Ze hebben mooi praten daar in Londen, schuiven daar de zaak op ons bord. Laten ze eerst maar eens duidelijk aangeven wat ze nou willen met die kadavers van al die BSE-koeien. Absoluut geen bezoek, ze hebben bij Cheals al genoeg te stellen met de autoriteiten.
Maar dat heeft CPC-manager Ray Hale ook. En met hem de directie van de overige grote destructiecentra in Groot-Brittannië. Al vanaf 1990 zijn de tien verbrandingsinstellingen betrokken bij de BSE-catastrofe. Opgebeld door het ministerie in Londen, of ze met voorrang de casualty cows konden verbranden, de koeien die aan niet-besmettelijke ziekten of infecties leden, die een ongeluk hadden gehad, die op enigerlei wijze op de boerderij onherstelbaar waren beschadigd.
Die hoefden dan niet te worden opgeslagen in de koelhuizen, waardoor er ruimte vrij kwam voor de BSE-kadavers. Die kwamen dan aan de beurt zodra de overheid overeenstemming had bereikt met de private verbrandingsbedrijven over vergoedingen en verbrandingsschema's. Later, zodra de regering haar plan had getrokken.
En het is nu later, jaren later. En met enige fierheid bazuint minister Hogg rond - zodat het niet alleen in Engeland maar ook op het Europese vasteland, vooral in Brussel, te horen is - dat Groot-Brittannië nu al ruim een miljoen runderen heeft geslacht, in de 'gevaarlijke' leeftijd van 30 maanden en ouder. Recentelijk in een tempo van zo'n 500 000 per week.
Maar waarvan er slechts enkele tientallen, pak weg een honderd per week daadwerkelijk worden vernietigd. De rest verdwijnt in de vrieshuizen, die nu al knap vol beginnen te raken. Ray Hale heeft al vernomen dat de Britse regering is overgegaan tot het charteren van koelschepen, om daar kadavers in op te slaan.
Oorzaak, althans zichtbare oorzaak van deze steeds groeiende kadaverberg: het conflict tussen regering en de tien particuliere verbrandingsbedrijven over de kosten van het cremeren. De destructiebedrijven berekenen ongeveer 130 pond per volgroeide koe, zo'n 390 gulden. Maar de regering vindt die prijs te hoog, zegt Hale, wil steeds heronderhandelen en ze hoopt daarbij op subsidie uit Brussel, voor de verwerking van de kadavers.
“Londen kijkt alleen maar naar Europa, naar Brussel, en probeert het exportverbod op Brits rundvlees opgeheven te krijgen”, zegt Hale. “Dat zit er voorlopig toch niet in. Hier denken ze dat het vooral de Duitsers zijn die dat tegenhouden, om hun eigen vleesindustrie te stimuleren. Wij, de tien verbrandingsbedrijven, hebben de koppen al bij elkaar gestoken en een schema opgesteld. Want hoe langer het zo blijft voortduren, hoe langer het vertrouwen wegblijft, en hoe langer de vleesindustrie in Groot-Brittannië op zijn gat blijft liggen. Wij zijn er klaar voor, hier in Cambridge hebben we nu één oven in gebruik voor de koeien, maar we hebben er vier, en die kunnen alle vier worden ingezet, 24 uur per dag, zeven dagen in de week.”
Een beetje wantrouwend mens zou kunnen denken dat de niet-aantoonbare oorzaak van het onvermogen om met de tien crematoria tot overeenstemming te komen, kan liggen in Londens verwachting dat het exportverbod binnen afzienbare termijn van de baan is. Waarna het ingevroren rundvlees weer massaal de markt op kan - van de geconstateerd 'veilige' koeien, dat spreekt vanzelf. Tja, Ray Hale zwijgt even, maar aan deze speculatie wenst hij zich toch maar liever niet te wagen.
“Van Major weet je overigens nooit wat je kunt verwachten”, zegt hij. “Het enige wat de regering kan en moet doen is het vertrouwen in het Britse rundvlees terug winnen, Europa kijkt met argusogen naar ons en zegt: breng je boeltje eerst maar eens op orde. En terecht.”
De hele gang van zaken is een comedy of errors, vindt Hale. Een 'spel der vergissingen', een aaneenschakeling van fouten. Te beginnen in 1987, onder Margaret Thatcher, toen de eerste BSE-gevallen al geconstateerd werden. De regering meende toen dat er geen betrouwbare gegevens waren, en liet de zaak op zijn beloop. “Londen had toen meteen de gevallen moeten isoleren, maar de regering liet het fokken doorgaan, plus het verwerken van het vlees en de organen. Een combinatie van onderschatting en nalatigheid. De beslissing om niet in te grijpen was vooral een politieke, waarbij de kostenfactor en de macht en positie van de Britse vleesindustrie een grote rol speelden.”
Ray Hale heeft steeds Conservatief gestemd, op Thatcher en op Major. Maar dat is nu afgelopen, bij de volgende verkiezingen, dit voorjaar, wordt het Tony Blair en zijn Labour-partij. Komt nog bij dat het Cambridge Pet Crematorium in John Majors kiesdistrict ligt, in Huntington. Maar de premier heeft in elk geval hier, in het CPC, zijn gezicht nog nooit laten zien.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.