*

 
dossier

Archief

EZ wil dat vier grote elektriciteitsproducenten samengaan

KOOS SCHWARTZ − 13/09/95, 00:00

AMSTERDAM - De grote elektriciteitsproducenten van Nederland gaan mogelijk fuseren. De samenvoeging van de vier bedrijven wordt binnenkort door betrokkenen besproken. De overheid is één van de initiatiefnemers van de gesprekken.

Een fusie of een vergaande samenwerking tussen Epon (de produktiemaatschappij Oost- en Noord-Nederland), EPZ (Zuid-Nederland), EZH (Zuid-Holland) en Una (Utrecht, Noord-Holland) is al sinds 1989, toen de splitsing tussen elektriciteitsproducenten en -distributeurs werd geregeld, min of meer latent in discussie. Sinds die splitsing verkopen de elektriciteitsproducenten hun stroom aan regionale distributiebedrijven, die het weer doorverkopen aan de consument.

De afgelopen maanden is het gesprek over fusie in een stroomversnelling geraakt. De verwachting is dat minister Wijers van economische zaken eind dit jaar een globaal voorstel zal doen voor een samenvoeging van de vier bedrijven.

De vorming van één groot bedrijf kan leiden tot grotere efficiëntie bij de stroomproduktie. Bovendien zijn voordelen te verwachten bij de aankoop van steenkolen, aardolie en aardgas (de grondstoffen voor de stroomproduktie) en bij het onderhoud van installaties. Een fusie kan ook invloed hebben op beslissingen over de bouw van nieuwe installaties. Een ingewijde: “Het gebruikelijke getouwtrek en gehakketak tussen de vier bedrijven over de vraag waar nieuwe centrales gebouwd moeten worden, kan na een fusie verleden tijd zijn.”

Angst voor een overname door een buitenlands elektriciteitsbedrijf speelt mogelijk ook een rol bij de wens tot fusie. De vier Nederlandse stroomproducenten zijn, internationaal gezien, vrij klein. De verwachting is dat de trend naar een vrijere energiemarkt zal leiden tot meer overnames. Hoewel het aantal nog beperkt is, heeft een Amerikaans bedrijf onlangs een Britse stroomproducent gekocht en heeft een Zweeds bedrijf een Finse producent uit de Finse markt gedrukt.

Consumenten zullen hoogstwaarschijnlijk weinig merken van een fusie, al bestaat er kans op wat lagere stroomprijzen.

Een fusie kan wel belangrijke gevolgen hebben binnen de wereld van producenten en distributeurs. Nog niet duidelijk is wat in een geval van een fusie de taken zullen worden van de Sep, de huidige koepel van de produktiebedrijven. De Sep speelt nu onder meer een centrale rol bij de planning van nieuwe centrales. Ook de taakverdeling tussen Sep en EnergieNed, de koepel van distributiebedrijven, zal door een fusie worden beïnvloed.

Een fusie kan verder leiden tot een sterkere positie van de distributiebedrijven. Van de vier produktiebedrijven zijn er twee, Epon en EPZ, eigendom van de distributiebedrijven. De andere twee, Una en EZH, zijn eigendom van provincies en gemeenten.

Onomstreden zijn de plannen voor een fusie overigens niet. Tijdens een gisteren gehouden symposium op de Vrije Universiteit zei topambtenaar

S. Dessens van Economische Zaken te verwachten dat de concentratietendens aan zowel produktie- als distributiezijde zal doorzetten. Volgens Dessens kan die tendens “duidelijke schaalvoordelen” bieden. Anderzijds toonde W. Wiechers, directeur van het distributiebedrijf PNEM, in bedekte termen zijn scepsis. Volgens hem staat de vorming van één grote stroomproducent op gespannen voet met de trend naar een vrijere energiemarkt.

Tijdens het symposium zei Dessens dat distributiebedrijven hun energie voor een deel uit duurzame bronnen (wind, afval, zon) moeten halen. Hij denkt daarbij aan een verplicht minimumpercentage, vast te stellen door de overheid. Anderzijds zei Dessens dat de distributiebedrijven dit ook zelf kunnen regelen; zo biedt PNEM zijn klanten de mogelijkheid om extra te betalen voor de gebruikte stroom. Die extra opbrengst gebruikt PNEM voor investeringen in duurzame energiebronnen, zoals zonne- en windenergie.

Het symposium op de VU was gewijd aan de vraag of het milieu gebaat is bij een vrijere energiemarkt. Prof. P. Vellinga, op zich geen tegenstander van een vrijere markt, constateerde wel dat veel stroombedrijven in de wereld de laatste jaren minder uitgeven aan research. Het onderzoek dat zij plegen naar duurzame energiebronnen is, volgens Vellinga, vooral gericht op technieken die hun waarde al hebben bewezen, zoals windenergie. Aan zonnecellen daarentegen, waarvan deskundigen op lange termijn zeer veel verwachten, wordt de laatste jaren veel minder aandacht besteed, aldus Vellinga.

mailIcon print |