*

 
dossier

Archief

Moeder wil geen kwaad woord horen over Tupac Amaru-leider Victor Campos

TJABEL DALING − 18/01/97, 00:00

CALLAO - Ze is een vriendelijke en hartelijke vrouw, De perfecte en zichzelf altijd opofferende moeder. Haar zoon is een van de beruchtste terroristen van het land. Maar geen kwaad woord over Victor. Een moordenaar, een terrorist? Geen sprake van. “Hij is geen terrorist, maar een romantische man, die het beste voor zijn vaderland wilde.”

Otilia Campos de Polay spreekt met respect en liefde over haar zoon, die in 1982 de Tupac Amaru (MRTA) oprichtte, de guerrillabeweging die nu al een maand diplomaten en politici gijzelt in de Japanse ambassade in Peru. Victor Polay werd in 1992 voor de tweede keer gearresteerd en zit nu een levenslange gevangenisstraf uit in een cel op de marinebasis van Callao, de voorstad van Lima. Zijn vrijlating is de belangrijkste eis van de bezetters.

Peruaanse veiligheidstroepen hadden hem in 1989 voor de eerste keer opgepakt en opgesloten in een streng bewaakte gevangenis in Lima. Het was Nestor Cerpa, de leider van de gijzelingsactie, die Polay op spectaculaire wijze bevrijdde. Cerpa en zijn mede-guerrilleros groeven een onderaardse tunnel van bijna driehonderd meter lang naar Polay's cellenblok.

Leunend met haar ellebogen op de toonbank van haar ijzer- en gereedschappenwinkel in de arme voorstad Callao - op enkele honderden meters afstand van Victors cel - legt moeder Otilia Campos het nog eens uit: “Victor heeft nooit mensen gedood. Nooit. Geen enkele MRTA-strijder heeft doelbewust mensen vermoord, geen enkele bom van Tupac Amaru heeft ook maar één mensenleven gekost.”

Ze spreekt niet tegen dat Tupac Amaru mensen gijzelde, autobommen plaatste, kapitalistische en imperialistische buitenlandse bedrijven met dynamiet bestookte, maar slachtoffers díe vielen, vielen in gewelddadige confrontaties met het leger. Het is waar dat de Tupac Amaru-rebellen hun gewonde vijanden meestal niet doodden en hun gevangenen vaak vrij lieten.

Of ze sympathiseert met de MRTA? De moeder van Victor zegt resoluut: “Nee, ik ben Aprista, actief lid.” Haar overleden echtgenoot was een van de oprichters van de linkse Apra, de partij van de latere president Alan Garcia, de voorganger van Alberto Fujimori. Garcia en Victor Polay waren lange tijd vrienden, maar in de jaren tachtig nam de MRTA de wapens op tegen 'het linkse staatsterrorisme van de Apra'. Als goed katholiek kan ze het niet eens zijn met de bezetting van de ambassade. “Gelukkig is er tot nu toe geen druppel bloed gevallen.”

Zowel regering als MRTA moeten water bij de wijn doen, vindt mevrouw Campos de Polay. Maar Fujimori moet eerst maar eens wat stappen zetten. “Peruaanse gevangenissen zijn een hel. De situatie van de gevangenen moet met onmiddelijke ingang worden verbeterd. Nieuwe processen voor de Tupac Amaru-strijders zijn een absoluut vereiste. Met normale rechters, geen anonieme en geblinddoekte rechters. En de jongeren in de ambassade moeten integreren in het gewone politieke leven of asiel krijgen in het buitenland.”

De kans op een geweldloze oplossing van het gijzelingsdrama is de afgelopen week wat toegenomen, nu de regering Fujimori én Cerpa hebben ingestemd met de instelling van een bemiddelingscommissie. “Victor zou hiervan lid moeten zijn”, zegt zijn moeder. “Hij zou de gelegenheid moeten krijgen met zijn kameraden te overleggen.”

Ze weet zelf wel dat haar wens niet in vervulling zal gaan, Victor blijft in de gevangenis. Sinds het begin van de gijzeling heeft ze haar zoon niet meer mogen bezoeken. Meer dan vier jaar zit hij nu vast. Het eerste jaar in een cel in de Andes-stad Puno, onder erbarmelijke omstandigheden, bijna vierhonderd meter boven de zeespiegel, waar het 's nachts vijftien graden vriest.

De laatste drie jaar zit hij vast op de marinebasis van Callao, waar Polay in gezelschap verkeert van Abimael Guzman, de leider van Sendero Luminoso, de veel gewelddadiger en wredere tegenpool van Tupac Amaru. “Guzman krijgt een veel betere behandeling dan mijn zoon, omdat hij het vredesakkoord met de regering heeft getekend”, klinkt het bitter. “Fujimori heeft de vrouw van Abinal zelfs een chocoladetaart gestuurd.”

De cel van haar zoon noemt ze een 'graf'. Twee jaar geleden werd Victor nog gemarteld. Elektrische schokken op testikels en hoofd. “De martelingen zijn nu van psychologische aard. Soms moet hij zijn gewone kleren inruilen voor een gevangenispak.” Ze vertelt dat haar zoon veertien maanden in volstrekt isolement heeft doorgebracht. Alleen het Rode Kruis mocht hem toen bezoeken. “Voor deze organisatie heb ik veel respect. De medewerkers van het Rode Kruis hebben ons in de allermoeilijkste omstandigheden niet in de steek gelaten.”

Hoopvol: “Ik bid tot God dat ze mijn zoon vrijlaten.” Realistisch: “Maar ik weet dat dat moeilijk is voor mijn land, mijn regering.”

“Wat ik van Fujimori vind? Alsjeblieft, stel me die vraag niet.” Ze wijst op een vervallen flatgebouw met kapotte ramen, op tweehonderd meter van haar ijzerwinkel. “Daar wonen de allerarmsten. Ze zijn gewend aan een moeilijk leven. Het is hun lot, maar als zíí al zo wanhopig zijn, hoe moeten de mensen in de ambassade zich dan voelen? De gegijzelden en hun familieleden hebben nooit geleerd om te lijden. Ook daarom hoop ik dat de gijzeling snel is afgelopen.”

De MRTA heeft een sterke sociale basis in het arme Peru, meent ze. Daar is de afgelopen maand weinig van gebleken. Maar in de verpauperde havenstad Callao behandelt iedereen de moeder van de meest gevreesde terrorist met respect. Een politieman is uiterst voorkomend tegenover haar en verscheidene passanten zwaaien haar vriendelijk toe. “Dit is een arbeiderswijk. Ik realiseer mij heel goed, dat als ik in een rijke buurt zou wonen, ik het mikpunt van haat zou zijn.”

mailIcon print |