DEN HAAG - Betekent de mogelijke ondergang van Fokker het failliet van het industriebeleid, zoals gevoerd door minister Wijers? In hun eerste emotionele reacties op de noodsituatie waarin Fokker sinds enkele dagen verkeert, wekt een aantal vakbondsbestuurders wel die indruk.
De vakbeweging is boos, omdat de eigenaars van Fokker - grootaandeelhouder Daimler/Dasa en de Nederlandse staat - het niet eens zijn geworden over een nieuwe financiële injectie in de noodlijdende vliegtuigbouwer. Dat is kwalijk, vindt bijvoorbeeld FNV-voorzitter Stekelenburg, omdat Fokker toch erg belangrijk is voor de Nederlandse industriële structuur en voor de werkgelegenheid. Een woordvoerder van de Industrie- en voedingsbond CNV meent dat met Fokker een belangrijke poot wegvalt onder het Nederlandse industriebeleid.
De vakbeweging houdt het er op dat, als Fokker ten onder gaat, zo'n 12 000 à 13 000 banen zullen verdwijnen, zowel bij Fokker zelf als bij toeleveranciers. Die vrees is zwaar overdreven. Lang niet alle 7 900 banen bij Fokker zullen verdwijnen. Werkgelegenheid bij gezonde Fokker-onderdelen zal behouden blijven. De verwachting is bovendien dat het overgrote deel van het hoogopgeleide Fokker-personeel snel weer aan de slag zal komen. Wezenlijker is de stelling dat Fokker belangrijk is voor de Nederlandse industriële structuur. Fokker vormt de kern van de Nederlandse luchtvaartindustrie: niet alleen toeleveranciers, ook wetenschappelijke onderzoeksinstituten en opleidingen zijn er geheel of gedeeltelijk van afhankelijk. Valt de kern van zo'n cluster aan activiteiten weg, dan komt het cluster in z'n geheel in gevaar. En dat terwijl de Haagse politiek sinds een aantal jaren in de ban is van dit zogenaamde clusterbeleid.
Dat begon onder de vorige minister van economische zaken, Andriessen. Aanvankelijk zette Andriessen het beleid van zijn liberale voorganger De Korte onverminderd voort. Nadat de toenmalige regeringen in de jaren zeventig en tachtig tevergeefs honderden miljoenen guldens hadden gepompt in het zwaar verlies lijdende scheepsbouwconcern RSV, werd in Den Haag gerichte steun aan individuele bedrijven totaal taboe. De Korte - opvolger van de door het RSV-debâcle zwaar beschadigde minister Van Aardenne - zag de taak van de overheid beperkt tot het scheppen van algemene voorwaarden waaronder het bedrijfsleven goed kan gedijen: een goed sociaal-economisch beleid, zorgen voor goed onderwijs et cetera.
Andriessen zette dit terughoudende beleid aanvankelijk voort. Maar deze minister raakte, zoals zovelen, onder de indruk van een in 1990 gepubliceerd boek, geschreven door de Amerikaanse econoom Michael Porter. Deze bepleitte een actievere opstelling van de overheid. Aan haar de taak het ontstaan van clusters van bedrijven, toeleveranciers en onderzoeksinstellingen te bevorderen. Louter verliesfinanciering blijft taboe, maar de overheid mag kansrijke bedrijven als potentiële kernen van clusters best wel een financieel steuntje in de rug geven.
Andriessen gooide onder invloed van Porter het beleid schoorvoetend om. Hij was bereid kansrijke bedrijven financieel te steunen. Het kan, aldus de minister, echter niet de bedoeling zijn dat een bedrijf geheel afhankelijk wordt van de overheid. In lijn met deze gedachte richtte de minister samen met banken, pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen een industriefonds op. Kansrijke bedrijven die voor het ondernemen van bepaalde activiteiten geld tekort komen, kunnen op het fonds een beroep doen.
De opvattingen en het beleid van de huidige minister van economische zaken, Wijers, wijken eigenlijk niet wezenlijk af van die van Andriessen. Ook Wijers is bereid tot gerichte bedrijfssteun, maar alleen aan kansrijke bedrijven en op voorwaarde dat anderen meedoen. Daarnaast gokt de huidige regering - meer dan de vorige - op de bevordering van onderzoek naar en ontwikkeling van nieuwe technologieën, niet alleen op onderzoeksinstituten, maar ook door bedrijven zelf. Dat is hard nodig, want in Nederland wordt structureel te weinig aan onderzoek en ontwikkeling gedaan. Voor technologiebeleid trekt Wijers in deze kabinetsperiode 1,5 miljard uit.
Het staat buiten kijf dat in het clusterbeleid van de regering Fokker als kern van de Nederlandse luchtvaartindustrie een belangrijke rol speelde. Voor de ontwikkeling van hoogwaardige Nederlandse technologie is het voortbestaan van Fokker van groot belang. In die zin zou het wegvallen van Fokker een groot verlies zijn. Maar een failliet voor het huidige industriebeleid? Ach, er blijven nog genoeg clusters over. Niet alles is verloren met het wegvallen van Fokker.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.