Nog op 6, 9, 12, 15, 18, 21, 24, 26, 29 dec.
Gebruikmakend van de volle diepte en breedte van het immense podium van het Muziektheater plaatste Wagemakers het drama van de bultenaar/nar en zijn mooie dochter Gilda in een spookachtig verlicht, kaal bloedrood toneel. Met het spannende openingsbeeld van het koor (in roodachtige, gestyleerde renaissance-kostuums) als schaakstukken op het immense veld, werd meteen het obligate beeld dat aan 'de' Rigoletto kleeft, doorbroken.
Geen vals sentiment, geen bochel (wél een door huidskleur getekende bariton), maar het drama van een vader die zijn kind in een schrijn wil behoeden tegen invloeden van de boze buitenwereld, terwijl dat kind de eerste lijnen van contact al heeft gelegd naar een jonge, onbekende minnaar. Die dient zich aan als 'arme student', genaamd Gaultier Maldè, in werkelijkheid de hertog van Mantua, een Casanova/Don Giovanni/etcetera gelijk. Dezelfde hertog bij wie Rigoletto in dienst is, hem naar de mond praat en balanceert (letterlijk uitgebeeld) tussen de schone schijn van de hofwereld (oogstrelend in uniforme kostuums gestoken door Sandy Powell) en zijn eigen gekoesterd bestaan in zijn gebarricadeerd huis.
In deze driehoek speelt het drama zich af: met als spanningspunten het 'Caro nome' dat Gilda zingt als haar student/minnaar zich heeft bekend gemaakt (met vervoering, maar ook met een frisse expressie gezongen door Harolyn Blackwell), het 'La donna e mobile' van de vrouwenverslindende hertog/minnaar (tenor Martin Thompson legde hier de meeste wellust in zijn expressie) en de Pietà-scène van Rigoletto die het hof smeekt zijn dochter terug te geven (een hoogtepunt in de overtuigende wijze waarop Mark Rucker stem en gestalte gaf aan de nar). Wagemakers voorzag deze scène van een mooi commentaar op het snotter-sentiment dat deze opera in de loop der tijden sinds de première in 1851 is gaan aankleven: alle hovelingen depten met een rood zakdoekje als pierrots een pinkend traantje weg. Subliem!
Met eenzelfde gevoel voor nuancering, heftigheid van ritmische beweging, kleuring vanuit het instrumentale palet en integere emotionaliteit, realiseerde het Nederlands Philharmonisch Orkest onder leiding van Ed Spanjaard de orkestrale lijnen. Vrijheid en gezag straalde zijn directie uit; hij kreeg er een precieze, lyrische strijkersklank voor terug, en ook de houtblazers (hoboïste Nicoline Alt en fluitist Hans-Peter Spannring voorop) reageerden fraai; de koperblazers misten in de belangrijke opening nog scherpte en zuiverheid in de akkoorden.
Een verstoft in de herinnering (op basis van die twee beroemde aria's) voortlevend drama dat door de strakke vormgeving van Michael Levine en de op lyrische kwaliteiten geschoeide zang, werd omgezet in een spannend en helder verteld actueel verhaal. Zonder zinloze actualisaties waar modern opera-theater nog al eens draken mee wil verslaan. Begrijpelijk dat het publiek in ovationeel gejubel uitbarstte na de laatste emotionele akkoorden. De vloek die er scheen te rusten op een Nederlands team bij De Nederlandse Opera, is doorbroken.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.