*

 
dossier

Archief

Als stromingen moerassen worden

PIETER VAN DER VEN − 20/01/97, 00:00

Sinds een kwart eeuw is prof. dr. W. van 't Spijker de ongemijterde aartsbisschop van de christelijke gereformeerde kerken. Bij zijn afscheid vorige week van de theologische universiteit te Apeldoorn zegt hij in zijn weekblad 'De Wekker': “Men zoekt autoriteiten. Men schuwt gezag. Men kweekt leiders. En de vrijheid van een christenmens kennen we niet meer, Het is zo gevaarlijk, omdat hier de partijzucht alle kansen krijgt onder een masker van vroomheid.”

Hij is voorman en opinieleider van zo'n 70.000 behoudende protestanten met een ruime traditie van mildheid en vroomheid. Maar er is reden tot somberheid: ook onder christelijke gereformeerden zijn Schriftkritiek, richtingenstrijd en kerkverlating niet meer onbekend.

Drie (of meer) stromingen in zijn kerken? “Als het maar geen moerassen worden,” verzucht Van 't Spijker: “Ik constateer een behoudzucht waar het ware leven wel héél erg diep onder verscholen is, als het er al is. (...) Er is een vooruitstrevendheid die niet eens in de gaten heeft waarheen het gaat. Men zet soms een hele gemeente op de kop. Ik praat niet over dominees, hoewel die er ook wat van kunnen.” Wat vindt hij ervan dat sommige christelijke gereformeerde kansels voor sommige eigen dominees taboe zijn, ook voor hem? Van 't Spijker veroorlooft zich een heuse kwinkslag: het is hem fysiek onmogelijk elke van de honderdzoveel kansels van zijn kerk te bestijgen. Maar hij geeft toe dat deze vorm van kerkelijke censuur bestaat en dat men erop wordt aangekeken.

Het moet deze theoloog en kerkhistoricus aan het hart gaan, want juist hij ijvert al jaren voor meer eenheid, niet alleen binnen zijn eigen kerkgenootschap, maar met de twee naaste zusters uit het vaderlandse orthodoxe calvinisme: de vrijgemaakte gereformeerde kerken en de Nederlands gereformeerden. Omdat er tussen deze laatste twee nogal wat recente pijn leeft, kunnen de christelijke gereformeerden als oudste zuster de verbindende schakel vormen in deze zogeheten kleine oecumene. Menigeen is er immers al lang van overtuigd dat de onderlinge verschillen aan de eigen jongere generatie nauwelijks meer zijn uit te leggen, laat staan dat je er aparte kerken voor op na moet houden.

Hoe zal dat nu verder gaan? Van 't Spijker zegt dat wie geen illusies heeft amper heeft geleefd. Hij weet het verder niet en laat het maar in Andere handen. Maar in zijn ogen “dwingt de kerkelijke situatie ons om eenheid te zoeken in deze realiteit van verwereldlijking, afval, kerkverlating en wat al niet meer”. En hij kijkt verder dan de kleine oecumene, om te beginnen naar álle gereformeerden. “Daar behoort de hele brede scala toe, die wij slechts ten dele honoreren. Wij kijken gemakshalve maar naar één kant.”

Van 't Spijker wil breder en verder kijken, maar ook zijn horizon is beperkt. Op de vraag wat hij als christen-gelovige zou zeggen als er sprake blijkt van buitenaardse beschavingen in het heelal, speculeert hij wel even over het “bloed van Christus dat genoegzaam duizenden werelden kan verlossen”, maar zijn voorstel is toch “om de ufo's voorlopig buiten de theologie te houden”.

Rozpravy

'Kleine oecumene': bestaat er nog wel een grote? Die pretentie heeft het nieuwe tijdschrift Rozpravy/ Samenspraak in elk geval niet. Het is een bescheiden ogend boekje, dat tegelijk in het Nederlands en het Tsjechisch uitkomt, met bijdragen van hier en ginds - vrucht van een samenwerking tussen Nederlandse hervormden en Boheemse broeders, waartoe de onvermoeibare Hebe Kohlbrugge in 1980 de aanzet gaf. 'De kerk als minderheid', is de titel van het eerste themanummer.

Net als in 'De Wekker' is voor Rozpravy/ Samenspraak de vraag hoe kerken verder moeten in onze tijden van verval, maar de hervormde emeritus-hoogleraar G. Dingemans verkeert wel in een andere situatie dan Van 't Spijker. Dingemans' kerk is ooit groot geweest en nu klein geworden, tot minderheid verschrompeld. Van 't Spijker was daar al en is met de zijnen nooit anders geweest dan een kleine kudde.

Dingemans wil echter van de nood een deugd maken en telt de zegeningen van het 'kleine kerk' zijn.

“Kleine kerken kunnen uitstekend inspelen op de moderne behoefte aan individuele geloofsbeleving en kleine overzichtelijke gemeenschappen, niet in grote manifestaties.” Hij noemt persoonlijk pastoraat, de vorming van kleine groepen en “eenvoudige netwerkstructuren in plaats van een grote landelijke organisatie”, zo suggereert hij, toevallig aan de vooravond van de zoveelste synode over de kerkorde.

“Kleine kerken kunnen goed inspelen op de huidige behoefte aan leren (...), niet in de zin van 'nazeggen', maar als ontdekkingsreis van de individuele gelovigen in de schatkamer van de kerkelijke traditie.”

Dingemans vindt dat kleine kerken zich meer met theologische dan met organisatorische vragen moeten bezighouden. “Men hoeft het niet per se met elkaar eens te worden, als men maar grondig ingaat op grote vragen.” Hij somt wat op: Hoe moeten we ons als moderne mensen God voorstellen? Staat Hij boven de tegenstelling man/vrouw? Is Hij een persoon of een 'Geest'? Grijpt Hij in in de geschiedenis? Zo ja, hoe? Moeten we Hem 'almachtig' noemen? Was Jezus primair de profeet, de priester die de zonden wegdraagt, de herder, de unieke 'Godmens'?

Kleine kerken tenslotte, aldus Dingemans, kunnen wat minder afhankelijk van professionele ambtsdragers en dus wat mondiger worden. Volledige preek- en sacramentsbevoegdheid voor niet academisch-theologisch geschoolde vrijwilligers, stelt hij voor. Ook dat kan de synode deze week mooi meenemen, in haar beraad over de toekomst van (het aantal van) de predikanten-opleidingen.

Meeluisteren

Stel dat ze dan nog iets van die opleidingen overeind laten. In de Waagschaal heeft een drietal kerkelijke hoogleraren gevraagd naar wat hen bezielt, hoe zij in hun onderwijs God ter sprake brengen, nu 'God' zo in opspraak is en er zo relativerend wordt gedaan over de ene Waarheid en Openbaring. Deurloo (Amsterdam) herinnert maar aan de joodse geleerde Rosenstock, die het niet op theologen had begrepen, omdat ze “over God praatten zonder dat zij zich schamen: zij waren vergeten dat God meeluisterde.”

In zijn colleges wordt soms hartelijk gelachen, meldt Deurloo, en voor hem “kan dat een teken zijn dat de kern van de zaak aan de orde is”. Misschien geldt dat ook wel voor de preek. En God luistert mee en lacht zich een kriek. Voor allen blijft de prangende vraag of wij hier en Die boven wel lachen om hetzelfde.

mailIcon print |