*

 
dossier

Archief

IRAK - Slimme rommelpot wordt rijk in Bagdad

EILDERT MULDER − 16/01/98, 00:00

Op de drukke vrijdagmarkt zijn zelfs souvenirs uit de goede oude tijd van voor de sancties te koop. Zoals een tijdschrift uit 1984, dat dictator Saddam Hoessein lof toezwaait in een periode dat Irak steun genoot van de olierijke Arabische Golfstaten in zijn oorlog met Iran.

Temidden van het gedrang van mensen die hun magere bezittingen hopen te verkopen om te overleven bevinden zich ook 'crisis-kapitalisten'. Het zijn ondernemende Irakezen die profiteren van de schaarste die de straatmarkten hebben veranderd in barometers van ellende. “Het enige wat je nodig hebt is ervaring en kapitaal”, zegt Satar Rahim, een ex-soldaat die tweedehands audiomateriaal verkoopt in een houten stalletje. “Ik verkoop dit voor 25 000 dinars (16 dollar). Ik verdien daar 3 000 dinar op”, vervolgt hij, wijzend op een setje oortelefoons dat in Nederland is vervaardigd. Rahim is niet de enige die een slaatje slaat uit de moeilijke tijden. Elke vrijdag gaan handelaars als Rahim naar de markt in het centrum van Bagdad. Ze spreiden hun lakens langs de straten en wachten op wanhopige Irakezen die hun eigendommen verkopen, variërend van zuigflessen tot televisies, tafeltennisrackets en zelfs sleutels. De sancties hebben miljoenen Irakezen op de knieën gedwongen, sinds de VN ze oplegden aan Irak na de bezetting van Koeweit in 1990.

“Ongeveer 30 procent van de volwassenen en kinderen lijdt aan ondervoeding. We hebben acute ondervoeding die dodelijk kan zijn. We hebben chronische ondervoeding die fysieke en andere capaciteiten kunnen aantasten zonder dat herstel mogelijk is”, zegt Denis Halliday tegen het persbureau Reuters, de VN-coördinator voor humanitaire zaken. “25 procent van de kinderen gaat niet naar school omdat ze geld moeten verdienen.”

De toestand van ziekenhuizen is alarmerend. Ze kampen met een gebrek aan medicijnen en verslechterende apparatuur. Gebouwen vallen uit elkaar. Volgens hulpverleners zijn er miljoeneninvesteringen nodig in waterzuiveringsinstallaties om een ramp af te wenden. Irak, een voormalige oliegigant, kan zich geen bestrijdingsmiddelen veroorloven voor de landbouw. Dat is een hard gelag voor functionarissen die zeggen dat hun land gokt op zelfvoorziening na tientallen jaren afhankelijk te zijn geweest van import.

Kranten, die eens pagina's hadden over elk onderwerp, zijn teruggebracht tot vier pagina's. Er is nog net genoeg ruimte voor het beschrijven van de noden van de mensen, alle geschreven op het conto van de VS in vernietigende commentaren. Irak zag een glimpje hoop toen het in december 1986 de uitvoer van olie beperkt mocht hervatten, na een overeenkomst met de VN die bekendstaat als 'voedsel voor olie'.

Irak mag elke zes maanden voor twee miljard dollar olie uitvoeren. Het grootste deel mag het besteden aan de aanschaf van voedsel en medicijnen. Maar dat heeft weinig verlichting gebracht.

Vorige maand heeft Irak 'tijdelijk' de voedselrantsoenen verlaagd. Het beweerde dat het niet de voorraden had ontvangen, die waren beloofd bij de overeenkomst met de VN. Het enige wat de Irakezen kunnen hopen is dat er niet nieuwe hooglopende conflicten komen tussen Bagdad en de VN, die de noodtoestand nog langer doen voortduren.

Maar sommigen zagen juist onder deze omstandigheden hun kans schoon, bijvoorbeeld met smokkel. “Geld is niet het probleem, dat is er. Het probleem is de goederen te vinden. De handelaars weten dat ze goederen tegen een hoge prijs kunnen verkopen”, zegt een hulpverlener. “De rijken zijn niet armer geworden maar de sancties hebben de middenklasse ter dood veroordeeld. Die zal verdwenen en ondergegaan in de massa van armen”.

Maar op de Sjordjah-markt zijn handelaars met rekenmachientjes in de weer om stapels dinars te tellen. Ze hebben van alles in de aanbieding, zoals Maleisische cacao en Indiase baby-melkpoeder; belangrijk want de voorraden aan babymelk zijn gevaarlijk klein. De handelaren komen uit alle sociale lagen. Ze hebben hun beroep in de steek gelaten voor de zwarte handel. Veel goederen komen uit Turkije, en passeren eerst de Koerdische enclave in het noorden van het land voor ze in Bagdad arriveren. Tegen die tijd is hun prijs tot een veelvoud gestegen.

Op de markt zie je moeders wanhopig naar babyvoedsel zoeken, maar ook grote handelaren die kleine handelaren leegkopen om hun aandeel op de markt te vergroten. De verdiensten zijn vaak verbijsterend. Neem Hoessein Radi, een bescheiden man die zijn dag doorbrengt met de verkoop van eieren. Hij verkoopt 24 dozen met elk 30 eieren, en neemt 78 000 dinar naar huis. Ter vergelijking: een ambtenaar verdient tussen de 3 000 en 4 000 dinar per maand. Dat is natuurlijk onvoldoende, zodat je ook de ambtenaren op alle mogelijke manieren erbij ziet klussen of corrupt ziet zijn. Aan de top van de piramide van zwarte handel zit het regime zelf. Voor de aanslag op zijn leven in december 1996 had Saddam Hoesseins zoon Oedai de smokkel van olie naar Turkije in handen. Hij deelde de opbrengst met Nacirwan Barzani, de zoon van Massoed Barzani, de leider van de Koerdische militie KDP.

Het regime is ook sterk in het creëren van voorkennis, die het vervolgens weer ten eigen bate benut. Zoals tijdens de onderhandelingen over de overeenkomst met de VN over 'voedsel voor olie'. Telkens wanneer het erop leek dat er een overeenkomst zou komen, kelderde de dollar. Handlangers van het regime konden dan dollars inkopen, waarna het bericht volgde dat de overeenkomst toch weer was afgeketst en de dollarkoers weer steeg. Het is niet uitgesloten dat de conflicten met de VN over de wapeninspecteurs eenzelfde doel dienen.

mailIcon print |