Tien regels tragiek in de krant, meer is het vaak niet. Maar er gaat een drama achter schuil, levens die nooit meer zijn wat ze waren. Vandaag als laatste: Vincent van Meerwijk (29), agent bij de spoorwegpolitie, hielp in 1996 een man die voor een trein was gesprongen en daarbij zwaargewond raakte.
,,Ik zie elk jaar ongeveer vijf treinlijken. Zo noemen we mensen die voor een trein springen. Het drukke spoor tussen Eindhoven en Den Bosch is erg geliefd. Halverwege staat een psychiatrisch ziekenhuis. De meeste springers zijn al overleden als wij komen kijken. Dit was het eerste ongeluk waarbij het slachtoffer zwaargewond was én bij kennis, zodat ik met hem kon praten.''
,,Eerst zag ik een been liggen. Mensen die onder een trein komen, hebben meestal geen kleren meer aan als ik ze vind. Die scheuren gewoon af als de trein hen met 140 kilometer per uur meesleurt. Van een springer blijft vaak weinig over. Maar de schoenen zijn meestal gaaf. Door de klap van de botsing worden die van de voeten gerukt.''
,,Nadat ik dat been gevonden had, ging ik zo snel mogelijk op zoek naar het slachtoffer. Misschien kon ik hem nog helpen? Een meter of vijf verderop zag ik iemand liggen, tussen de struiken langs de spoorlijn. Ik worstelde door de bosjes en keek opeens in twee beenstompen. Rauw vlees, stukken bot en bloed. Aan een van de stompen hing een bloedbel: een bloederige luchtbel die groter en kleiner werd op de maat van de hartslag. Naast het lichaam lag het tweede been, dat met slechts een enkele pees vastzat aan het lichaam van een jonge man. Zijn gezicht lag op de grond en hij bewoog zachtjes. Hij was nog bij kennis.''
,,Ik knielde naast zijn hoofd, trok mijn handschoenen aan, pakte zijn handen en begon met hem te praten. Een slagaderlijke bloeding hoefde ik niet te stoppen, want de trein had de aderen afgesneden en dichtgeknepen. Wist de jongen al dat hij zijn benen had verloren? Het was mij niet duidelijk, maar ik besloot het voorlopig voor hem verborgen te houden. Steeds zorgde ik ervoor tussen de jongen en zijn been te blijven zitten. Ik wist dat ik hem aan de praat moest houden tot de ambulance kwam. Het was de enige manier om hem van de pijn af te leiden. Het was sowieso het enige wat ik voor hem kon doen. We praatten over hem, waarom hij gesprongen was. Hij was een jaar of vijfentwintig en had al voor het derde jaar zijn propedeuse niet gehaald. Daardoor stond hij onder grote druk. Ik zei dat hij me stevig moest vasthouden en me mocht knijpen als hij pijn had. Dat deed hij. Toen er bloed over mijn handen vloeide, begreep ik niet waar dat vandaan kwam. Had de trein ook zijn armen geraakt? Nee, alleen zijn benen waren er af. Maar door het knijpen gingen de wonden aan zijn armen open. De dag voor zijn sprong had hij geprobeerd zijn polsen door te snijden. Hij overlijdt in mijn armen, dacht ik. Maar toen ik de sirene van de ambulance hoorde, leefde hij nog steeds.''
,,De jongen had die dag al eerder met gespreide armen voor een trein gestaan. Op het laatste moment was hij toen weggesprongen. De machinist van die trein gaf een seintje aan de meldkamer en daarna reden alle treinen op dat spoor veertig kilometer per uur. Bij de volgende trein wilde hij weer wegspringen, maar hij struikelde over de rails, verloor zijn evenwicht en kon niet meer wegkomen.''
,,Ik maak onderscheid tussen een ongeluk en zelfdoding. Als een kind van drie met zijn skelter onder de trein komt, gaan mijn haren recht overeind staan. Van iemand die zich voor de trein gooit, kijk ik niet meer op. Ik slaap prima, eet goed en voel me niet slechter dan anders. Een paar dagen blijven de beelden die ik gezien heb me wel bij. Zo'n ongeval vind ik niet normaal, maar ik kan er mee omgaan. Over zelfdoders maken wij geen grapjes. Dat zou een teken zijn dat je zo'n ongeluk niet goed verwerkt. Maar treurig word ik er niet van. Een springer kiest zijn eigen lot.
,,Een maand na het ongeval moest ik bij onze groepsleider komen. De jongen had een brief geschreven. Hij verontschuldigde zich tegenover de machinist en de treinreizigers. Aan het einde van de brief schreef hij: 'Een speciaal bedankje voor Vinnie, de jongen die mijn hand heeft vastgehouden en mijn aandacht heeft afgeleid van de pijn. Dankzij hem ben ik niet dood gegaan. Achteraf ben ik daar heel blij om.' Die brief heb ik mee naar huis genomen. Het is fijn om te weten dat ik het goed gedaan heb. Ik heb iets voor hem kunnen betekenen.
,,Een paar maanden na die brief heb ik hem ontmoet. We dronken een pilsje in een café waar we allebei vaker blijken te komen. Samen stonden we aan de bar. Hij een beetje wankel op zijn nieuwe protheses die nog niet lekker zaten. 'Jij was erbij', zei hij. 'Jij hebt gezien hoe ik daar lag'. Hij is inmiddels gestopt met zijn studie en heeft werk gevonden. Hij heeft vrienden, gaat er op uit. Het gaat hem goed. In datzelfde café gaf hij later een optreden. Hij deed Koos Alberts na. Toen ik hem zo zag voelde ik me ontroerd. Mede dankzij mij stond hij daar te zingen. Door dat ongeluk is er een band tussen hem en mij ontstaan. Dat zal altijd zo blijven. Ik was degene die zijn handen vasthield.''
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.