*

 
dossier

Archief

WAT LELIJK OF SLECHT IS, MAAK IK ZELF WEL UIT

JAAP DE BERG − 25/01/97, 00:00

Civis Mundi (themanummer 'Kritiek van de technische rede'), 1997/1 (010-418 2580), ¿ 12,50. The New York Review of Books, 6/2, £2.75.

Nou nee, menen velen tegenwoordig. Je kiest gewoon ergens voor - spontaan, subjectief of vanuit een groep. Dat moet toch kunnen? Een mens is vrij om te doen en te laten wat hij wil. Wat blijft er van je vrijheid over, als je je gedrag en je voorkeuren zou moeten toetsen aan objectieve morele en redelijke criteria? Om te bepalen wat mooi of lelijk, goed of slecht is, heb ik geen richtinggevende principes nodig; ik maak het zelf wel uit. Heb ik ongelijk? Sorry, maar dat is een domme vraag: wie even doordenkt, ziet in dat in mijn wereld de uitdrukking 'ongelijk hebben' nergens op slaat.

Als er iemand gloeiend het land heeft aan dit hedendaagse subjectivisme, is het de wis- en natuurkundige en filosoof C. W. Rietdijk. In het kwartaalblad Civis Mundi veegt hij er de vloer mee aan en probeert hij de populariteit ervan - ook onder de spraakmakende intelligentsia - te verklaren.

Zelf hangt Rietdijk uiteraard de opvatting aan dat er algemeen geldige morele principes bestaan. Wat ze voorschrijven, is 'een moraal van integriteit en naastenliefde'. Daaraan behoren bijvoorbeeld politieke keuzes ondergeschikt te zijn. Vrijheid is weliswaar een groot goed, maar - zegt deze aanhanger van de Verlichting Franse revolutionairen uit 1789 na - ze houdt op waar anderen worden geschaad. Rietdijk is ervan overtuigd dat de juistheid van deze moraal met redelijke argumenten (die hij een paar jaar geleden in een boek heeft uitgewerkt) kan worden bewezen.

Wat die redelijke moraal kan betekenen, illustreert hij met het voorbeeld van 'chemische castratie', toegepast op kinderverkrachters. Subjectivisten verzetten zich tegen zo'n inbreuk op 'de vrijheid' en 'de privacy'. Rietdijk, zich meer bekommerend om de (potentiële) slachtoffers, kapittelt deze ongeremde vrijheidsadepten. Op objectieve morele gronden zouden ze in situaties waarin de ene mens wreed is tegen de ander, 'uit één stuk en radicaal partij (moeten) kiezen' voor die ander.

HEROIEK IN VRIJHEID: AJAX GRATIS OP DE BEELDBUIS

Wat stempelt, afgezien van dit voorbeeld, onze cultuur als subjectivistisch? Rietdijk somt onder andere op: “Een hang naar het puur individuele en onherleidbare, naar het hier-en-nu en het incidentele, naar spel, toeval, ongericht onderwijs en ongerichte kunst”, die alleen maar 'individuele expressie' beoogt. Dat deze voorkeuren zo in de mode zijn, is deels sociologisch te verklaren, maar Rietdijk beperkt zich in Civis Mundi tot individueel-psychologische factoren. Dat gaat zo:

“Vroeger, in de tijd van de 'Grote Verhalen', konden de kleinen van geest en de miezerige middelmaat zichzelf nog iets van waarde voelen door te marcheren achter vlaggen, door te zingen in de kerk of door zich deel te weten van een respectabele familie. Maar in onze periode van 'atomisering' en agnostici moeten ze het zelf maar uitzoeken.”

Velen nemen genoegen met de rol van consumptie-dier, maar intellectuelen hebben meer nodig. Hoe kunnen zij zichzelf het gevoel geven dat ze waardevol zijn? Voor zover ze niet over werkelijke creativiteit beschikken - op wetenschappelijk, artistiek of maatschappelijk terrein -, moeten ze het van ego-tripperij hebben. Dus worden “het eigen kleine ikje en deszelfs keuzen, subjectieve voorkeuren, individuele hebbelijkheden, incidentele belevenissen, enzovoort” opgeblazen tot iets van het grootste belang. De producten van die opblazerij venten de intellectuelen uit als “Essenties, Zijn met een hoofdletter, Onherleidbaar Subject of Project, Keuzen van het Authentiek Menselijke, Lotsbestemming in Vrijheid”.

“Zo krijgen politieke voorkeuren en keuzen - voor hogere uitkeringen of Ajax gratis op de buis - een dimensie van Heroïek in Vrijheid en uiting van Wat-Wij-Van-Onszelf-Maakten. Zo worden individuele, incidentele, onbelangrijke of verwarde ervaringen in 'moderne' romans of gedichten tot het Menselijke par excellence, tot 'Verwezenlijking in Vrijheid van ons Project'. Het relaas van het miezerige bestaan van een onduidelijke hoofdpersoon wordt dat van een Zoeker die het Lot ontmoette. De horden die niet meer achter de grote koningen aanlopen, willen nu zelf kleine koninkjes zijn.”

Ziehier verklaard waarom er zoveel vraag is naar de filosofie van “de Heideggers, de Lyotards, de Rorty's en al die anderen die de Mens Centraal stellen” - en naar het werk van de Becketts, de Kandinsky's en de Kouwenaars. Voor gewone mensen die zich onbehaaglijk voelen in hun consumptiebestaan, komt het werk van zulke relativistische chaosdenkers en -kunstenaars als redder in de nood. Ze zijn geëxcuseerd voor hun leven op een laag pitje en kunnen zich verzoenen met de vele Lege Momenten in hun Existentie, omdat ze die delen met K. Schippers, winnaar van de P. C.-Hooftprijs.

WIST TEILHARD DE CHARDIN VAN DE PILTDOWN-POETS?

Kortom, de mensen willen bedrogen worden, of liever: zichzelf bedriegen. Daar bestaan ook kluchtiger voorbeelden van. Neem de Piltdown-mens oftewel de ogenschijnlijk zéér pre-historische hersenpan en kaak, in 1912 opgegraven in de buurt van het Zuid-Engelse Lewes, niet ver van Brighton. Aanwezig was onder anderen de priester en paleontoloog Teilhard de Chardin. Op grond van deze vondst, waarvan de ouderdom op een half miljoen jaar was geschat, meenden Engelse geleerden veertig jaar lang dat “de wieg van het menselijk intellect had gestaan waar hij thuishoorde”, in Zuid-Engeland. Het citaat is van Steve Jones, een hoogleraar in de genetica die de affaire bespreekt in The New York Review of Books.

Pas in 1953 kwam de waarheid aan het licht. De restanten van de vermeende oer-Brit bestonden uit: een middeleeuwse mensenschedel, de kaak van een orangoetan uit dezelfde periode, beide met bruine verf en ander spul bewerkt, en een bijgevijlde apentand, een jaar na de eerste ontdekking op dezelfde plek aangetroffen door Teilhard de Chardin.

Wie zat hierachter? In de uitgebreide Piltdown-literatuur figureren meer dan een dozijn verdachten. Onder hen bevinden zich Teilhard (als schuldige aangewezen door Stephen Jay Gould) en de schrijver Conan Doyle, die een geschoold anatoom was en in een van zijn romans had vastgesteld dat je een bot even makkelijk kon vervalsen als een foto. Maar nu is ook dit raadsel opgelost, althans volgens Jones. Hij heeft zich laten overtuigen door de jongste bijdrage-in-boekvorm aan de Piltdownologie, waarin de vervalsing wordt toegeschteven aan dezelfde man die het samenraapsel opgroef. Dat was de advocaat Charles Dawson, als amateur-paleontoloog ook door de professionals gerespecteerd.

Zoals gezegd: Teilhard de Chardin - later befaamd om “een boek van olympische vaagheid waarin hij de evolutie verbond met de Geest van Kerstmis” (Jones) - stond er in 1912 bij en keek ernaar. Wist hij van de poets? Dat raadsel wacht nog op ontsluiering.

mailIcon print |