*

 
dossier

Archief

REDDING WILDLIFE LIGT IN JACHT, GELD OF WATER

ILONA EVELEENS − 03/01/98, 00:00

Doodgemoedereerd slentert de jonge olifant over het zandpad. Af en toe steekt hij zijn slurf in de lucht en snuift de geur van de auto op. Het enorme dier blijft stug doorlopen. Op slechts enkele meters van de wagen stapt hij de dichte begroeiing in, naast het pad. Achteloos snoept hij van acaciabomen, maar houdt het vreemde gevaarte op vier wielen vanuit zijn ooghoeken in de gaten.

Deze jonge olifant leeft in Tsavo, een wildpark in het zuid-oosten van Kenia. Het bestrijkt een oppervlakte groter dan Zwitserland. Kenia telt 35 wildparken en reservaten onder beheer van Kenya Wildlife Service (KWS), grootgrondbezitters, gemeentebesturen en groepen omwonenden.

Het KWS-hoofdkwartier staat aan de rand van de hoofdstad Nairobi. In de kantoren van het pas enkele jaren oude complex wordt de natuur bestuurd met computers, faxen en telefoons. Technologie heeft de intrede gedaan en ook de vergadercultuur. De natuurbeschermer van weleer met het door de zon verweerde gezicht heeft plaatsgemaakt voor een in pak gestoken kantoorman. De meeste topfuncties binnen Keniaanse natuurbeschermingsorganisaties worden door blanken bekleed. Ze kruisen steeds vaker de degens over het beheer van wildlife.

Moet de nadruk liggen op het praktische werk of op de theoretische aanpak? David Western is directeur van KWS. Zijn kantoor biedt een fraai uitzicht op het aangrenzende Nairobi Nationale Park. Niet ver van zijn raam graast een kudde zebra's. David Western heeft de naam een goede wetenschapper te zijn, maar een zwakke bedrijfsleider. Verongelijkt ontkent hij de aantijging. Hij wijst op de vele problemen waarmee zijn organisatie worstelt. “De meeste hoofdbrekens bezorgt ons de competitie tussen mens en dier over steeds minder grond. Kenia heeft een van de snelst groeiende bevolkingen ter wereld. Het land raakt vol.”

De meeste wildparken zijn niet omheind. In de droge seizoenen gaan dieren op zoek naar water en voedsel. De steeds dichterbij komende akkers bieden wat ze zoeken. Uiteraard tot grote wanhoop van de boeren. “Aanvankelijk gaven we compensatie voor vernielde oogsten of gedood vee. Corruptie noodzaakte ons daarmee te stoppen. Nu compenseren we alleen het verlies van een mensenleven”, vertelt David Western. KWS zit in de financiële problemen. De overheid geeft geen geld. De inkomsten komen van donoren en de toegangsgelden voor de parken. De laatste jaren bezoeken steeds minder toeristen Kenia. Dit jaar kreeg het toerisme bovendien nog een zware klap door etnische en politieke gewelddadigheden.

Na de tuinbouw is toerisme de tweede bron van inkomsten voor Kenia. De wildparken vormen de ruggengraat van de toeristenindustrie. KWS heeft flink het mes moeten zetten in de uitgaven. Werknemers werden ontslagen en delen van het hoofdkwartier staan te huur aangeboden. De Keniase media besteedden ruimschoots aandacht aan de financiële perikelen van KWS. Breed uitgemeten werd David Westerns salaris: 24 000 gulden schoon per maand. Inmiddels is het bedrag bijna gehalveerd. Toch steekt het schril af tegen de 600 gulden waarvoor de jachtopzieners in het Tsavo-park maandelijks benzine kunnen kopen. De wildparkwachters rijden elke dag patrouilles in het park. Stropers liggen altijd op de loer. David Western reageert getergd op de berichten over zijn salaris. Hij heeft het gevoel dat iedereen tegen hem is. “Ik heb de hoogte van mijn loon niet bedacht. Het salaris was berekend door een onafhankelijk bureau.” Hij praat liever over zijn stokpaardje: het conflict tussen mens en dier. Zichtbaar meer op zijn gemak zegt hij: “We moeten een oplossing vinden waarin beide harmonieus naast en met elkaar leven. Educatie speelt daarbij de hoofdrol.”

Is educatie wel de oplossing? Meer dan de helft van de bevolking leeft onder de armoedegrens. De grootste zorg voor deze mensen is waar de volgende maaltijd vandaan komt. De vraag of voedsel ten koste gaat van wildlife past niet in hun overlevingsfilosofie. Bovendien zien Kenianen wilde dieren als een bedreiging. Een groot deel van de bevolking woont midden in de wildernis. Giftige slangen en vraatzuchtige vleeseters vertoeven vaak in de buurt. Natuurbeschermster Daphne Sheldrick: “Als te veel wilde dieren zich buiten de parken begeven, moeten ze dus terug. De KWS dient de parken aantrekkelijker te maken voor dieren. Bijvoorbeeld door meer drinkplaatsen voor dieren te creëren. Zoiets brengt automatisch vegetatie met zich mee. Dieren trekken dan weg uit de menselijke leefgebieden, waar altijd gevaar voor hen dreigt.”

Sheldrick woont en werkt op een steenworp afstand van het KWS-hoofdkwartier. Haar huis ligt net binnen het Nairobi Nationale Park. In een modderpoel op enkele meters van haar terras stoeien ietwat onbeholpen twee neushoornbaby's. Daphne Sheldrick probeert weesjes van bedreigde diersoorten groot te brengen en te leren straks zelfstandig in het wild te kunnen overleven. Elke dag weer gaan de stevige baby's met enkele oppassers het park in. De surrogaatmoeders onderwijzen de dieren daar over het leven in de bush. Onomwonden kritiseert Daphne Sheldrick KWS. “Er zitten daar te veel opperhoofden en te weinig Indianen”, concludeert ze. Ze doelt daarmee op de vele afdelingshoofden in het KWS-centrum. “Het te beheren product loopt buiten rond. Daar heb je mensen nodig. Als er een goede, praktische manager aan het hoofd zou staan en niet een visionair als David Western, zou de nadruk op het veldwerk liggen. Ook binnen het Wereldnatuurfonds wordt te veel gepraat en te weinig gedaan. Oneindige reeksen workshops houden de mensen bezig. Praktische actie is er nauwelijks. Natuur is statistieken op papier geworden.”

Daphne Sheldrick is weduwe van de eerste wildparkbeheerder van Tsavo. Aan het park heeft ze nog steeds haar hart verpand. Toen ze hoorde over het magere brandstofbudget voor Tsavo, doneerde ze direct 6 000 gulden. Natuurbeheer kost geld, veel geld zelfs. Daphne Sheldrick: “Waarom moet alleen Kenia de nodige fondsen opbrengen? Wildlife is een mondiale erfenis. Daar zijn we allemaal voor verantwoordelijk.” Volgens de Keniaanse wet zijn wilde dieren het eigendom van de regering. KWS werd in 1989 opgericht als beheerder ervan. De eerste directeur was de vermaarde Richard Leakey. Hij gaf de organisatie een waakhondfunctie en probeerde uit alle macht het corruptie-virus buiten wildlife te houden. Hij werd uiteindelijk gedwongen op te stappen. Leakey had vijanden gemaakt op hoog politiek niveau.

Wildlife en politiek liggen in Kenia dichter bij elkaar dan menigeen vermoedt. Richard Leakey, tegenwoordig zelf politicus, verzette hij zich tijdens zijn KWS-directeurschap tegen de herintroductie van de jacht, die in 1977 was verboden. De jachtlobby bleef evenwel actief in Kenia. Tot grote schrik van natuurbeschermers wierpen David Western en de schrijfster Kuki Gallmann zich onlangs op als pleitbezorgers voor de jacht. Ze zien er geld in. Als er nu in parken of reservaten te veel dieren van een bepaald soort rondlopen, dunt KWS de kuddes uit. Vaak wordt dat karwei overgelaten aan omwonenden. Ze krijgen daarvoor een kleine vergoeding van KWS. Het vlees en de huid mogen ze houden. Als het afmaken van deze dieren zou worden overgelaten aan sportjagers, zou het KWS geld opleveren, zo meent de jachtlobby. In Afrikaanse landen waar de jacht is toegestaan, kost het jagers veel geld om hun hobby uit te oefenen.

Richard Leakey ziet de jacht niet als oplossing voor de financiële tekorten van KWS. “Ik ben niet tegen de jacht. Maar het echte grote geld wordt verdiend met de jacht op neushoorns en olifanten. Dat zijn beschermde diersoorten. Die vallen dus af. De jacht gaat KWS bovendien wel geld kosten. De organisatie moet mensen en materieel leveren om de naleving van strikte regels voor de jacht te controleren.” Richard Leakey voelt zich nog steeds nauw betrokken bij wildlife. Hij windt zich vooral op over de rol van Kuki Gallmann bij de discussie over de jacht. “Zij heeft haar populariteit als schrijfster en vriendschap met prins Bernhard gebruikt om de jacht te propageren. Haar enige doel is er zelf beter van te worden. Ze bezit een wildreservaat en jagen op haar grondgebied zou extra geld kunnen opleveren.”

Prins Bernhard is voorzitter van het Nederlandse Wereldnatuurfonds. Een van de weinige Afrikanen die in Kenia een topfunctie bekleden bij een natuurbeschermingsorganisatie, is Nehemiah Rotich. Zijn East African Wildlife Society richt zich op Kenia, Tanzania en Oeganda. Al zeventien jaar houdt hij zich bezig met wildlife. De controverse over de jacht vindt hij onverstandig. Zijn boodschap luidt: “Schoenmaker, houd je bij je leest. KWS is er om wildlife te beschermen en moet zich niet bemoeien met de jacht erop.”

Hij legt een verband tussen de discussie over de jacht en de internationale beslissing om ivoorhandel weer beperkt toe te staan. In 1989 was de handel in het witte goud- verboden, omdat de olifantenpopulatie schrikbarend was gedaald door jacht en stroperij. In 1973 telde Kenia nog 130 000 olifanten, in 1989 waren er nog slechts 20 000. Sindsdien is het aantal olifanten licht gestegen naar 26 000. “Sinds de ivoorhandel weer mag, heerst er grote opwinding onder de handelaren. Die mensen zijn bereid heel ver te gaan om hun waren te krijgen. Het zou me niet verbazen als het besluit een golf van stroperij in heel Afrika met zich meebrengt.”

Veel stelliger is de International Fund for Animal Welfare, IFAW. Die zegt over voldoende bewijzen te beschikken dat een groeiend aantal olifanten wordt afgeslacht om zijn slagtanden. In 1997 zijn zeker 550 olifanten in heel Afrika gedood door stropers. De kroon wordt gespannen door landen als de Centraal Afrikaanse Republiek en de Democratische Republiek Congo. Uit diverse delen van Kenia komen ook meldingen over een toename van stroperij. KWS ontkent het evenwel. Directeur David Western zegt geen tastbare bewijzen te bezitten. Hooggeplaatste natuurbeheerders in het land houden echter vast aan een stijging. In het laatste half jaar zouden alleen in het Tsavo acht olifanten zijn gedood. Een behoorlijk aanslag op de totale populatie van 8 000 in het park.

“Ook ik krijg dat aantal uit het veld aangedragen”, vertelt Peter Westerveld. De Nederlander bezit een tentenkamp in Tsavo. Westerveld werd in Afrika geboren. Het grootste deel van zijn schooltijd bracht hij in Nederland door. Hij had evenwel zijn hart in Afrika verloren. Twintig jaar geleden keerde hij terug naar Kenia. De passie van de beeldend kunstenaar geldt het beheer van wildlife. Hij geeft de voorkeur aan zijn bushkamp boven een goed geoutilleerd kantoor in Nairobi. Hij zoekt oplossingen voor de wildlife-problematiek door er middenin te zitten. Tsavo is zijn wereld. “Het probleem draait om water. Door ontbossing daalde de waterspiegel met zeker drie meter in de laatste twintig jaar. Water, gevallen in hoger gelegen gebieden stroomt in razendsnel tempo door de rivieren de Indische Oceaan in. Het wordt onderweg nauwelijks benut door mens en dier. We moeten proberen het zo lang mogelijk vast te houden.”

Het getsjilp van kleurrijke glansspreeuwen begeleidt de woorden van Peter Westerveld. Hij zit op een opvouwbaar campingstoeltje. Vogels dribbelen rond zijn voeten, steevast gestoken in Van Bommel-schoenen. Het enige stadse aan de man, die altijd in kaki-kleuren gekleed gaat. Langs zijn tentenkamp stroomt de rivier de Athi. In de droge tijd staat er nauwelijks water in. De ongewoon grote hoeveelheden regen als gevolg van El Niño deed het stroompje zwellen tot een woest stromende rivier van 150 meter breed. Het water is bruingekleurd door meegevoerde aarde. Nijlpaarden en krokodillen schuilen in inhammen voor het wilde water. Peter Westerveld wil in droge rivierbeddingen dammen bouwen van keien en stukken rotsen. Dergelijk gesteente ligt voor het oprapen in Tsavo. De damwanden moeten zo worden geconstrueerd, dat een glijdende elevatie ontstaat. Als het regent, brengt de rivier aarde mee die tussen de stenen constructie gaat zitten. Daarop groeien al gauw planten. Na enkele jaren valt niet meer te zien dat het door mensenhanden is gemaakt.

“Het is niet de bedoeling het water uitsluitend achter een damwand vast te houden”, vertelt hij. “Er moet een hele reeks dammen in een rivier worden aangelegd, zodat een systematisch geleid overloopgebied ontstaat. Je kunt het vergelijken met een tafellaken, waarvan de ene helft nat is en de andere helft droog. Als je een klein glaasje water gooit over de natte helft van het kleed, zoekt het water een weg naar het droge deel.” Het bewijs ligt er al. In 1994 bouwden parkwachters een proefdam in een riviertje in Tsavo. Het stroompje heeft sindsdien het hele jaar door water. Weelderige vegetatie siert de oever en in het water spartelen meervallen. Peter Westerveld bestrijdt de suggestie dat er een concurrentiestrijd bestaat tussen mens en dier in Afrika. “Wildlife en agricultuur zijn nauw met elkaar verbonden. De bevolkingsgroei aanwijzen als probleem voor wildlife is fout. Kijk naar Nederland. Vijftien miljoen mensen op een klein stukje en dan is het ook nog eens een agrarisch land. Je moet grond kwalitatief gebruiken en niet kwantitatief.”

Bij zijn waterproject voor Tsavo wil hij boeren uit de omgeving betrekken. “Die dammen dienen te worden aangelegd in het droge seizoen, als de landbouwers weinig werk hebben. Ze kunnen meehelpen en zien hoe het functioneert. Als beloning voor hun arbeid bouwen we volgens hetzelfde principe dammen in rivierbeddingen in hun landbouwgebieden.”

Water wordt wel het bloed van de aarde genoemd. De hevige regens van de laatste tijd lijken op het eerste oog een zegen voor Kenia. Maar meteorologen weten uit ervaring dat het de voorbode is van ernstige droogte in Afrika. Daarom wil Peter Westerveld haast maken met de dammen in Tsavo. Hij erkent dat zijn waterproject een gedeeltelijke oplossing is. Hij heeft al plannen klaar voor de bestrijding van de oorzaak: de ontbossing. Zo staan op de akkers rond het Tsavo park veel dode baobabs (apebroodbomen). De uitzonderlijk dikke stammen zijn niet met de hand om te hakken. Daarom kappen de boeren de takken. De baobab sterft. Van het hout wordt houtskool gemaakt: de brandstof in de meeste Keniaanse keukens. Peter Westerveld heeft een berekening gemaakt. “Een stad als Nairobi verstookt per maand een boom van 50 centimeter doorsnee en 2 000 kilometer lengte. Dat ontbossing slecht is voor de natuur weten de mensen weten ook. Maar waarmee kunnen ze anders hun eten koken. Er moeten alternatieve energievormen voor in de plaats komen.” Het meest voor de hand liggende alternatief op dit zonovergoten continent is de energie uit zonnestralen. Waarom wordt het zo sporadisch toegepast? Duur hoeft het niet te zijn. Water is tot het kookpunt te brengen als een pan wordt geplaatst in een halfopen kartonnen doos, bekleed met aluminiumfolie. De zon doet de rest. Deskundigen blijven evenwel discussiëren en doen weinig. Wildlifebeheer in Kenia lijkt te lijden aan hetzelfde euvel. Veel praten en weinig actie. Steeds meer wordt overlaten aan computers in kantoren. Steeds minder wordt geluisterd naar de wildparkwachters: de mensen die dagelijks zien wat de problemen zijn en welke oplossingen de bush biedt. Peter Westerveld gelooft met bewijzen de kantoor-deskundigen te kunnen overtuigen. “Als wij hier in Tsavo resultaten boeken, gaat het als een lopend vuurtje rond. In Nairobi kunnen ze er dan niet meer omheen. Dan krijgen onze oplossingen vanzelf een vervolg in Kenia en in de rest van Afrika.”

mailIcon print |