*

 
dossier

Archief

Lopen langs de Lange Luier

HENK VAN HALM − 31/08/96, 00:00

In het Nationale Park De Meinweg, 1600 hectaren groot, kun je nauwelijks verdwalen. Er lopen maar twee lange rechte wegen door het tussen Roermond en de Duitse grens gelegen natuurgebied: de Meinweg en de Lange Luier, als je de minder belangrijke Herkenbosser Baan niet meetelt.

Het lijkt saai, wandelen langs zo'n weg zonder enige slinger. Het is maar hoe je het bekijkt. Want er zijn wel degelijk slingers, niet horizontaal, maar verticaal. In deze merkwaardig vierkante uitwas van de landsgrens komen hoogteverschillen voor, die je in Nederland bijna nergens tegenkomt. Door verschuivingen en barsten in de aardkorst en door afspoeling van oeroude afzettingen van Rijn en Maas zijn terrassen gevormd met steile overgangen van twee tot wel dertig meter hoog. Daardoor stijgen de wegen merkbaar, hoe dichter je bij de grens komt. Je passeert daarbij af en toe verdiepingen in het terrein, die wat vochtiger zijn dan de hogere delen. Daar liggen soms vennetjes met bijzondere planten en dieren.

Oorspronkelijk bedekten uitgestrekte loofbossen dit golvende landschap, maar die waren al voor de middeleeuwen door roofbouw verdwenen. Op de ontboste en verschraalde bodem ontstond heide, die in de napoleontische tijd in lange smalle stroken van 186 ha werd verdeeld. Men liet er schapen grazen, maar toen dat minder rendabel werd door de import van goedkope Australische wol, verdween met de schapen ook de heide. Met behulp van kunstmest werd de heide als akker ontgonnen of er werden dennen voor mijnhout geplant. Aan weerszijden van de Lange Luier kun je die langgerekte akkers nog zien, al zijn ze een paar jaar geleden uit produktie genomen. De rechthoekige vorm van de grens met Duitsland is daar trouwens op terug te voeren.

De eerste akkers die je komend van Herkenbosch aan de Lange Luier ziet, zijn overwoekerd met Canadese fijnstraal. Er zitten nog dorre halmen tussen met grauwe gebogen aren, een herinnering aan de vroegere roggeteelt. Wat verderop komt meer variatie in de akkeronkruiden: zwarte nachtschade met zwarte bessen en witte bloempjes, rossige schapezuring, onbeduidend groen papegaaiekruid, kleine lichtgeel met witte akkerviooltjes en zowaar een enkele felgele stalkaars daar bovenuit. Hoog is ook de kompassla, fletsgeel bloeiend als hij dat al doet, onmiskenbaar door de diep ingebochte, verticaal gedraaide bladeren, die als richtingwijzers recht tegenover elkaar staan.

Er grazen paarden, die het beheer van de mens moeten overnemen. Ze worden binnen de perken gehouden met schrikdraad, maar kunnen verder langs de Lange Luier de weg op. Gladde zwarte mesttorren graven bij tientallen in de paardevijgen, die in hopen onder de schaduwgevende eiken en midden op de weg liggen. Soms snort zo'n tor zwaar brommend en wat lomp voorbij om met een plof tussen zijn soortgenoten te vallen.

De laatste akkers zijn al onder de voet gelopen door hoge bremstruiken en struikhei die zijn rechten herneemt. En nog wat verder komen we echt op de heide. Staatsbosbeheer voert hier al tientallen jaren een beheer dat op het behoud van de heide gericht is. En met succes: over enorme oppervlakten is het landschap lilapaars, meestal pas begrensd door de top van een helling, waarachter het heidelandschap zich voortzet. Kortstammige zomereiken met brede kronen zorgen voor wat schaduw op de hete zomerdag, samen met enkele meerstammige berken. Op vochtige plekken vind je de roze tonnetjes van de dophei en heel veel gagel, lekker ruikend naar nootmuskaat, als je over de stug aanvoelende bladeren wrijft. Het meest opmerkelijke is wel dat het pijpenstrootje, dat overal elders de heide vergrast, hier heel harmonieus samen lijkt te gaan met de zeer vitaal ogende struikhei. Dagpauwogen, een enkele kleine vos en snel heen en weer schietende gamma-uiltjes hebben het druk op de aarachtig aaneengerijde heidebloempjes. Oranje zandoogjes zonnen zich op een paadje.

LEEMPOEL Er liggen gegraven poelen aan de weg. De oevers zijn vertrapt door paardenhoeven. Een kleine poel lijkt karnemelk in plaats van water te bevatten door de leem die door de drinkende dieren is opgewoeld. Groene poelkikkers springen aan alle kanten weg, duiken onder de elliptische blaadjes van duizendknoopfonteinkruid en de stengels van half ondergedoken grassen. Een kleinbloemige waterlelie toont dat het plasje al een paar jaar oud moet zijn. Een grote blauwe glazenmaker kruist voor de oever, blijft soms onderzoekend vlak voor ons in de lucht hangen om daarna razendsnel weg te schieten naar de andere kant van het plasje. Honingbijen komen drinken aan de rand van het water, een welkome prooi van de aarzelend en behoedzaam naar de oever terugkerende kikkers. We verbazen ons erover dat de kikkers geen last van de angels lijken te hebben.

Een ander poeltje is aanmerkelijk helderder. Naast duizendknoopfonteinkruid groeit er lichtgroen sterrekroos. Poelkikkertjes met een staartje, net een centimeter lang, zitten in het ondiepe water. Nog niet helemaal bullekopje-af kennen ze nog niet de schuwheid van de volwassen kikkers.

Wilde zwijnen en reeën frequenteren dit watertje. Hun voetsporen vormen een dicht patroon in de leem en op twee plekken is een indruk als een kinderbadje te zien, waar een varken zich in de klei heeft gewenteld. Een heel stuk hei is door de zwijnen op zoek naar mesttorren en ander lekkers omgeploegd.

Het sjirpen van honderden veldsprinkhanen en het gonzen van duizenden bijen maakt slaperig. We zitten even aan de kant van de weg. Vlak voor ons strijkt een slanke zwart met rode graafwesp neer. Zij scharrelt wat rond door het zand en begint plotseling verwoed te graven. Het zand vliegt achter haar omhoog. Er wordt een holletje zichtbaar, waar zij helemaal in verdwijnt. De rupsendoder verbergt haar hol zo goed dat niemand kan zien waar het ligt. Zij zelf weet dat alleen door zich de positie van strootjes, kiezeltjes, takjes in te prenten voordat zij van het verborgen hol wegvliegt.

Een geel met zwarte wesp zweeft een eindje verder laag boven de grond. Nu zien we dat gelige hoopjes zand gaatjes markeren in een zwak hellinkje van de wegberm. Een tweede wesp komt aanvliegen. Zij draagt iets zwaars: een schijnbaar dode honingbij, die eerst voor het hol wordt neergelegd en dan achterwaarts het nest in wordt getrokken. We hebben een kolonie bijenwolven gevonden. Deze graafwespen vangen bijen, verlammen die met een steek in een centrale zenuwknoop en brengen die naar hun nest, waar ze er een ei op leggen. De willoze bij wordt vervolgens door de wespenlarve leeg gegeten en sterft pas als vitale delen verdwenen zijn.

Natuur deze week

De eerste rijpe vlierbessen worden gegeten door spreeuwen en lijsters. In de duinen zijn het de fazanten, die van de grond opspringend de blauwzwarte bessen uit de platte trossen pikken. Rondom de vlieren is de grond paars gevlekt door de vogeluitwerpselen, waar de roodachtige pitjes duidelijk in zijn te onderscheiden. Als je vlieren in de buurt hebt, kun je nu beter je wasgoed binnen laten drogen! - Er zijn nog veel nachtvlinders. Overdag rusten ze op verborgen plekjes of zo maar open en bloot tegen boomstammen, waar ze bijna onzichtbaar zijn door hun schutkleuren. Dat geldt bijvoorbeeld voor het rood weeskind, dat zijn rood met zwarte ondervleugels verbergt onder de stemmig grijze, met kringeltjes en kronkellijntjes getekende voorvleugels. - Dagpauwogen komen al binnenshuis overnachten. Ze brengen de winter ook vaak binnenshuis door. - De vingerlange rupsen van de ligusterpijlstaart zijn bijna volgroeid. Ze eten van liguster, es, sering, forsythia en sneeuwbes en zijn het gemakkelijkst op te sporen door hun drolletjes te zoeken, die op de grond onder de aangetaste struiken liggen. - De beweeglijke groene rupsen van het roesje verpopten zich twee weken geleden tussen wat bijeengesponnen blad van de wilgen, waarop zij leefden. Nu komen de eerste vlinders uit: mooi oranje en roestkleurige nachtvlinders, die in de avond tuinbloemen als flox, afrikaantje en siertabak bevliegen. Ook deze vlinders overwinteren gewoonlijk in huis. - Op eiken zijn gallen in velerlei vormen te vinden: als knikkers en stuiters, als napjes en satijnen knoopjes, als besjes en aardappels, kruikjes en schijfjes. Al die vormen worden veroorzaakt door verschillende soorten galwespen, die een eitje legden in het plantenweefsel, waarna de voor elke soort typerende woekering ontstond. Binnen in de gallen leven bleke larven van de sappen van de eiken. - De kleine mantelmeeuwen die tegenwoordig in flinke aantallen (zo'n 20.000 paren) in ons land broeden, trekken nu naar de kust van Frankrijk, Spanje en Portugal, waar ze de winter gaan doorbrengen. In de winter zijn hier alleen een paar volwassen vogels te zien.

mailIcon print |