ATLANTA - De supersub wordt, niet al te origineel, de Heintje Davids van het Nederlandse volleybal genoemd. Jan Posthuma had al een paar keer zijn afscheid aangekondigd. In mei vorig jaar kreeg dat in een speciaal ter zijner ere georganiseerde wedstrijd in Heerenveen een officieel karakter. Staatssecretaris Erica Terpstra kwam er voor naar Thialf om de langste van de lange mannen (2,09 meter) een koninklijke onderscheiding op te spelden.
In Atlanta is Posthuma evenwel een van de 241 officieel geaccrediteerde Nederlandse atleten. Tijdens de duels van het mannenvolleybalteam is zijn vaste plek de hoek van de speelzaal. Samen met Latuhihin, Rodenburg, Schuil, Grabert en Mike van de Goor vormt hij het schaduwteam van de 'gouden' (of 'zilveren') ploeg van bondscoach Joop Alberda. In de time-out gooien ze de spieren even los. Voor het overige is het wachten tot het slecht gaat. Dan moeten de reserves, meestal gretige jongeren die weten dat hun tijd nog komt, het beter doen dan één of meer falende vedettes. Posthuma (33) is de arrivé die er genoegen in schept zijn loopbaan op die manier af te bouwen. “Ik ben hier om op dode momenten iets extra's te brengen. Een keer een blokje en dan er weer uit. Je bent in die rol heel kwetsbaar. Maak je twee fouten, dan sta je er naast. Maar het is vooral slecht voor de ploeg wanneer ik lang speel.”
Duidelijker kon Posthuma de kwartfinale-wedstrijd tegen Bulgarije (moeizaam met 3-1 gewonnen) niet karakteriseren. Rare jongens, die lange mannen. De gedachten waren al één of twee stations verder: de halve eindstrijd (vandaag tegen Rusland, dat Cuba met 3-0 slachtofferde), of nog meer de finale van zondagavond. Bulgarije was in de hoofden een obstakel in de orde van een gelijkvloerse drempel. Daardoor werd het een hindernisrace, vol loopgraven, puntige omheiningen en brokkelige muurtjes. Van der Meulen en Görtzen sloegen de ballen te zacht in of hard uit, spelverdeler Blangé worstelde met de precisie (hij weet het aan de airconditioned wind en de slechte lichtinval in de zaal, maar dat zijn al het hele toernooi de ongemakken in het Omni-Coliseum) en Held kwam helemaal niet in zijn spel. Het moest dus van Zwerver en Van de Goor komen. Die last was haast ondraaglijk.
Rare jongens, die lange mannen. Het succesteam zal zelden zo'n grillige wedstrijd hebben gespeeld. In de eerste set lijkt Oranje op een onbedreigde zege af te stevenen. Bij 12-5 scoren de Bulgaren acht punten op rij. Het wordt uiteindelijk 15-13. In de tweede set dreigt catastrofaal verlies als de geweldenaar Ganev zijn ploeg in een ommezien naar 14-2 loodst. Oranje vecht terug naar 14-9, maar de achtervolging wordt uiteraard veel te laat ingezet. De derde set loopt als een trein (15-3), in de vierde periode lijkt er tot 4-0 niets aan de hand. Het wordt 4-6, 6-9, 10-10, 14-10, 14-13 en door een blokpunt van Bas van de Goor 15-13.
Dolend
In de tweede set maakt Henk-Jan Held plaats voor Jan Posthuma, die vervolgens de hele wedstrijd blijft staan. De Fries is de onvermoeibare inspiratiebron van het dolende Oranje. “Ik sta er niet voor niets. Ook al speel ik nooit, ik moet altijd optimaal voorbereid zijn. Ik moet klaar staan als Joop me nodig heeft.”
De bijdrage blijft niet beperkt tot een enkel 'blokje' van één van de beste blokkeerders ter wereld. “Het toernooi duurt lang”, geeft de Fries als verklaring. “Het is moeilijk om de concentratie hoog te houden. Er gebeuren rare dingen. Vlak voordat wij op moesten, schakelde Joegoslavië olympisch kampioen Brazilië uit. Dan denk je onwillekeurig toch: verdorie, als ons zoiets maar niet overkomt. Ons doel is de eerste plaats; dat wil je ook in dit soort wedstrijden laten zien. Wij spelen hier eigenlijk twee toernooien. Topsport is voor vijftig procent een lichamelijke en voor de andere vijftig procent een psychische inspanning.”
Posthuma, international sinds 1982, is bezig aan zijn derde Olympische Spelen. In Seoul ('88) werd van de volleyballers nog niets verwacht. De vijfde plaats was binnen dat ruime perspectief een mooi resultaat. In Barcelona leidde een wonderbaarlijke opstanding uiteindelijk tot de tweede plaats, in Atlanta 'gaat' de ploeg van Alberda nadrukkelijker dan ooit tevoren voor goud. Posthuma werd teruggehaald om zijn routine, zijn rustgevende inbreng en de verbreding van de basis. In fysiek opzicht mogen van de volleyballer uit Goënga geen wonderen meer worden verwacht. Chirurgen moeten 's mans knieën als een weelderige proeftuin ervaren. Lange tijd was de overbelasting beheersbaar. In het najaar van 1995 begon een oude knieblessure weer op te spelen. Het overladen programma verergerde de situatie alleen maar. Bij de onvermijdelijke meniscusoperatie (die ongeveer poliklinisch werd afgehandeld) stelde de arts ook blijvende kraakbeenschade vast. Posthuma had er al mee leren leven. Springen doet hij uitsluitend nog in wedstrijden. “Op de trainingen loop ik altijd maar een beetje te pielen.”
Zijn rol aan de kant - en als het moet in het veld - is die van geestelijk hulpverlener. “Ook als je, zoals in de tweede set, met 14-2 achterkomt, moet je in jezelf blijven geloven. Ik probeer dan de andere jongens wijs te maken dat je altijd nog kunt winnen, zolang het vijftiende punt niet is gescoord. Wij komen terug tot 14-9, jij vraagt of ik in de toptijd van het Nederlands team ooit een set met 15-2 heb verloren. Daarmee geef je aan dat je er zelf ook niet meer in geloofde.”
Nederland miste tegen het beperkte Bulgarije (Ganev, sloopt eerst de tegenstander, daarna zichzelf; in de vierde set deed hij niet meer mee) bezieling en charisma. Niemand zag ze staan, de lange mannen. Posthuma: “Je probeert de ploeg op verschillende manieren over het dode punt heen te tillen. Razen en tieren helpt niet. Je kunt nog beter een goede mop vertellen. Of gewoon in een time-out helemaal niets zeggen. In het veld heb je het vaak niet eens in de gaten. Aan de andere kant ben je in het geheel niet vatbaar voor invloeden van buitenaf. Toen ik langs de kant stond, vrat ik mezelf haast op van ellende. Ik stond te vloeken, ik was bijna het veld ingelopen om klappen uit te delen.”
Wat is de rol van de coach? “Die probeert een gevoelige snaar te raken. Arie Selinger probeerde mij wel eens kwaad te maken. Dan ging hij keihard tegen mij staan te liegen. Iedereen dacht van mij: hij is maar een dooie Fries. Maar dan ontplofte ik.”
Rare jongens, de lange mannen. De langste was woensdagnacht hun redder in de nood. Complimenten vindt die dooie Fries overdreven. “Fantastisch? Nee. Ik had zelf het idee dat ik wedstrijdritme miste. Ik was steeds net iets te laat.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.