*

 
dossier

Archief

Bravi, bravi, met dank aan Manchester United

Franz Straatman − 20/03/99, 00:00

Bravi, bravi weerklonk het in de stampvolle San Marco-kerk. Tot driemaal toe moesten Riccardo Chailly en de zeven solisten terugkomen. Langdurig applaus klonk voor het Symfonie-orkest van Milaan 'Giuseppe Verdi' en het koor van de Beierse Omroep na hun uitvoering van Bachs 'Matthüus Passion'. Zo reageren Italianen nu eenmaal.

De aandacht onder het passie-concert was intens en zonder gerucht. Op één mobiele telefoon na die afging toen solisten en koor in een gevoelig decrescendo het Mein Jesu, gute Nacht! afrondden.

Het had erger gekund, zei Chailly. Als voetbalclub Inter gewonnen had van Manchester waren de Italianen met hun auto's toeterend door de straten getrokken. De overwinningsjubel had zich kunnen mengen met het Wir setzen uns mit Trünen nieder, bekende de directeur van het Verdi-orkest, Luigi Corbani.

Driemaal was de San Marco uitverkocht, met steeds ruim duizend bezoekers. Riccardo Chailly wil er een nieuwe Milanese traditie van maken: een jaarlijkse 'Matthüus'. Geïnspireerd door Willem Mengelberg die in 1899 in Amsterdam Bachs grootse passie-muziek tot klinken bracht en daar - niet zonder slag of stoot - een jaarlijkse gebeurtenis van maakte. Chailly volgt diens spoor ook in Amsterdam. Hij besloot niet voor niets om de honderdste passie-uitvoering op Palmzondag volgende week zelf te leiden.

In zijn geboortestad Milaan wil de maestro zich profileren. Als symfonisch dirigent, maar ook als artistiek middelpunt in een cultuurcentrum waar de opera met La Scala domineert. En waar Riccardo Muti heerst! Dat de opkomst van die andere Riccardo gevoeld wordt, bleek in een pagina-grote advertentie in de la Repubblica: 'Riccardo Muti dirigeert Beethoven'. Het gaat om cd's met een Beethoven-cyclus. De goede verstaander voelt de achtergrond. Immers, nadat Chailly vorig jaar zijn 'Matthüus'-plannen had ontvouwd, liet Muti aankondigen, dat hij na Pasen de 'Hohe Messe' van Bach doet, met koor en orkest van La Scala!

Milaan hoorde de laatste 'Matthüus' door een Italiaans orkest en koor in 1969, onder leiding van Claudia Abbado. Het was voor Chailly de eerste keer dat hij Bachs werk in het echt meemaakte. ,,Ik was zestien. Sinds die tijd heeft de Matthüus mij niet meer losgelaten. Er zijn sindsdien diverse uitvoeringen in Milaan geweest, maar allemaal door buitenlandse ensembles met oude instrumenten, zoals die van Frans Brüggen. De enige op moderne instrumenten was van het Concertgebouworkest met Nikolaus Harnoncourt als dirigent. Steeds trok dat veel publiek.''

Wat voor Bach laat Chailly horen? Met zijn energieke leiding liet hij zien dat hij artistiek en technisch volledig greep heeft op Bachs hoofdwerk. In november 1997 maakte hij al een eerste verkenning toen hij in de Opera van Zürich driemaal de 'Matthüus' dirigeerde. Hij stapte - zo schreef Trouw destijds - moedig Bachs pad op, maar was nog behoedzaam. Als gewiekst strateeg zette Chailly met betrouwbare middelen (hij had in Zürich een in Bach getraind Duits koor en solisten met ervaring) de 'mars naar Amsterdam' in. De volgende 'oefening' hield hij in januari in Turijn waar hij het radio-orkest combineerde met het koor van de Beierse Omroep en deels nieuwe, jongere solisten.

Nu in Milaan kon hij weer steunen op dat Beierse koor, een virtuoos en genuanceerd zingend ensemble van tweemaal dertig vocalisten. Chailly bereikte er veel mooiere resultaten mee (onder andere in expressieve afwisselingen van hard en zacht) dan destijds in Zürich met het Bachkoor uit Maine. In de aanpak van de dramatische koren en de uitwerking van de koralen kwam tot uitdrukking dat Chailly een groots koordirigent is met gevoel voor inhoud en kleur, zoals in het koraal Ich will hier bei dir stehen en het vrijwel aansluitende ensemble voor tenor en koor O Schmere.

In de San Marco zaten de twee koorhelften te dicht op elkaar om effect van de wisselzang te realiseren. Op het Amsterdamse podium streeft Chailly naar een wijdere afstand. Maar de plaatsing van koor- en orkesthelften op het kruispunt van priesterkoor, middenschip en zijarmen was perfect, met rijke schilderingen uit de zeventiende eeuw boven de uitvoerenden, en een enorm schilderij met een barok, dramatisch weergegeven kruisiging als blikvangende achterwand. De beroering in de klank echoëde uit in de baaierd aan geschilderde emoties.

Chailly hield zich vast aan de lijnen die hij in Zürich had uitgezet. Zo plaatst hij de solisten niet naar achteren, maar naast zich, aan de rand van het podium. Veel maakt het niet uit. De slimme opstelling die Harnoncourt en zijn opvolgers voor Bachs passies uitdachten, sorteerde - dankzij het direct oogcontact - veel beter effect. Bovendien klopt de relatie met het continuo en de omspelende solo-instrumenten meteen.

Dit voordeel geeft Chailly prijs omdat hij egocentrisch (hij is dè leider) te werk gaat. Gelukkig had hij in Milaan voor twee betrouwbare organisten gezorgd, Liuwe Tamminga (de Nederlander die in Bologna de oude muziek dient) en Bernard Winsemius. Zonder Nederlanders geen Bach!

Het mocht verbazing en bewondering wekken dat Chailly het met zeer veel jonge musici bezette en amper zeven jaar bestaande Verdi-orkest, zo goed in de barokke stijl had binnengevoerd. Vooral de houtblazers streelden de oren met welluidende begeleiding van aria's en arioso-delen. De strijkers wisten scherpe accentueringen precies te realiseren; wat dat betreft heeft Chailly handig en goed de kunst afgekeken bij de barok-grootmeesters en ingepast in zijn respectabele symfonisch gebaseerde klankopvatting.

Maar er zijn ook minpunten en die zullen zeker sceptische reacties tot gevolg hebben bij de Amsterdamse passie-kenners. Chailly wil soms te veel; hij is dan te actief in zijn dirigeren, in het zetten naar zijn hand.

Zeer sterk was dat het geval in de scène waarin Jezus het brood en de wijn als zijn eigen vlees en bloed aanbiedt. Een van mysterie doortrokken gebeurtenis die door Bach in een weergaloos wentelende en mooie melodie is uitgetekend. Met de grote, nuchter-objectieve basstem van Detlef Roth (ook in Amsterdam van de partij) in een nogal straf uitgedirigeerd tempo, bleef er van de mysterieuze ontroering niets over.

Chailly zoekt drama in uiterlijkheid, terwijl zo'n passage alleen bloeit door verinnerlijking. Precies het effect dat Chailly wèl waarmaakte in het uiterst zacht en vloeiend gezongen koraal Wenn ich einmal soll scheiden.

Dat was groots; het oversteeg barok, romantiek en wat voor stijl ook. Hier klonk het humane, de menselijke spanning die Chailly op tal van plaatsen (bijvoorbeeld met spannende stiltes) liet opstijgen in de akoestisch zeer dienstbare gewelven van de middeleeuwse, barok uitgedoste kerk. In zo'n ruimte krijgt het Wir setzen uns mit Trünen nieder een diepere betekenis dan ooit in de prachtige Amsterdamse concertzaal mogelijk is.

Daar zal Chailly volgende week zondag vooral voordeel hebben van de dramatische koren die hij - met zijn gevoel voor theater - en gedragen door zijn actieve dirigeerstijl tot klinken brengt.

mailIcon print |