Niet bekend
Wie de bronnen van het strafrecht, c.q. de parlementaire wetsbehandeling over bedelarij leest, vindt een opmerkelijke parallel met die broodroof: wie honger heeft, mag bedelen. Nederland wordt al eeuwen gekweld door armoede. Zo dwong ook in de vorige eeuw de toestand in Nederland menigeen tot het 'vragen om onderstand'. Bij gebreke van ouderdoms- en andere sociale voorzieningen nam dit de vorm aan van bedelen.
Om de overlast van bedelaars te bestrijden werd in 1880 besloten, het bedelen als overtreding betreffende de openbare orde strafbaar te stellen: “Hij die in het openbaar bedelt, wordt gestraft met een hechtenis van ten hoogste 12 dagen”. Bij de parlementaire behandeling van het betreffende artikel van het nieuwe Wetboek van Strafregt, op 8 november 1880 werd vanuit de Tweede Kamer in overweging gegeven om slechts bedelarij 'buiten noodzaak' strafbaar te stellen: “Waar op andere wijze niet in de behoefte van den bedelaar of van zijn gezin kan worden voorzien, bestaat geen enkele regtsgrond voor het strafbaar stellen van het beroep op de barmhartigheid van den medemensch”.
Liever dan bedelen alleen beoordelen op de last die aan de maatschappij wordt veroorzaakt, aldus het Bredase Kamerlid Des Amorie van de Hoeven, zou onstrafbaarheid wegens overmacht voor dit delict voorop gesteld moeten worden. De minister van justitie, Modderman, reageerde als volgt: “Wanneer de woorden 'buiten noodzaak' werden opgenomen in de omschrijving van strafbare bedelarij en niet in die van den diefstal, vreest gij dan niet onbillijkheden bij de vervolging wegens dit laatste misdrijf? (...) Het jus canonicum erkent in dergelijk geval (als het een 'arme drommel' betreft wiens vrouw en kinderen van honger dreigen om te komen - red.) den hoogsten nood zelfs als fait justificatif. (...).”
In zijn antwoord gaf Des Amorie van de Hoeven aan, dat hij “niet zien kan waarom wij, leden der Tweede Kamer, een strafwetboek opstellende, ons menschelijk gevoel buiten de deur zouden laten (...) De Minister is geëindigd met mij eene pertinente vraag te stellen: “indien iemand uit honger stal, indien hij inderdaad in de laatste nooddruft zijne hand had uitgestoken naar eens anders goed, b.v. naar eetwaren om zich van den hongerdood te redden, zoudt gij dan dien man veroordelen wegensdiefstal?” Ik antwoord zonder de minste bedenking: ja. Vraagt de Minister echter: zoudt gij dien man daarom alleen uwe achting ontzeggen en hem als misdadiger beschouwen? dan antwoord ik: neen, maar hij valt onder de strafwet en moet als zoodanig worden veroordeeld, natuurlijk tot het minimum van de straf. De Minister zegt mij: ik zou dien man niet straffen, overeenkomstig het jus canonicum. Gaarne erken ik dat het jus canonicum inderdaad leert wat de Minister zegt, maar dat jus canonicum is ook vrij wat menschelijker dan de strafwet en stelt het bedelen in 't openbaar evenmin strafbaar. (...). En wanneer nu de Minister zegt: in Nederland staat de regterlijke magt toch niet zoo laag, dat een bedelaar zal worden veroordeeld wanneer hij beweert: ik ben door den honger van mij zelven of mijne kinderen tot bedelen gedwongen, en de regter komt tot de overtuiging dat die bedelaar geene onwaarheid spreekt, of zelfs er bij den regter twijfel bestaat - dan durf ik die gerustheid van den Minister niet deelen.”
“Want vele regters zullen maar al te zeer, gelijk vele leden dezer Kamer, van oordeel zijn dat het bedelen quand même moet worden tegengegaan, dat het in geen geval te pas komt op de openbare straat te bedelen - en zij zullen zonder verder onderzoek alle bedelaars veroordelen. Niet omdat zij een ongevoelig hart hebben of niet milddadig zijn, maar omdat zij uitsluitend letten op den last, die aan de maatschappij door het bedelen veroorzaakt wordt.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.