*

 
dossier

Archief

VS bezorgd over 'mogelijke destabilisering'.

KEES BROERE − 09/05/98, 00:00

NEW DELHI - Hij heeft overal een mening over en is steeds bereid deze te verkondigen. George Fernandes mag dan minister van defensie zijn in de Indiase regering van BJP-premier Vajpayee, hij is ook een activist, die “de zorgen van het volk” vertolkt. De combinatie van beide rollen heeft India de woede van China en grote bezorgdheid van de VS opgeleverd.

Begin vorige maand deed Pakistan, de klassieke vijand van India, een proef met een nieuwe middellange-afstandsraket, de Ghauri. 'Boy George' Fernandes reageerde snel en noemde China “de moeder” van het wapen. Daarmee was de toon gezet voor een deels persoonlijke waarschuwingscampagne van de Indiase bewindsman tegen het vermeende gevaar van de machtige noorderbuur. Deze week deed Fernandes er een zoveelste schep bovenop en liet weten dat India “de grens met China moet versterken”.

Zijn opmerkingen moeten serieus worden genomen. India en China nemen samen bijna eenderde van de wereldbevolking voor hun rekening. Beide landen hebben politieke en economische ambities in de regio. China beschikt over kernwapens, India is een 'nucleair drempelland'. En 36 jaar geleden vochten de twee een korte grensoorlog uit, waarbij India vernederend werd verslagen.

Minister van defensie Fernandes schetst het beeld van een Chinese draak die India in een wurggreep dreigt te nemen. Peking zou aan Pakistan, het land ten westen van India, materiaal voor kernbommen en conventionele wapens leveren. Vlak over de noordelijke grens met Tibet zouden raketinstallaties op India gericht staan. En op een van de eilanden van het oostelijk gelegen Burma zouden Chinese radars elke beweging van de Indiase marine volgen.

Dat China een deels militaire agenda hanteert voor zijn aspiraties in Azië is voor dit land even onmiskenbaar als voor India zelf. Volgens een deskundige op het Indiase onderzoeksinstituut CPR is China “de bron van al onze zorgen. Pakistan is slechts een randgebeuren”. Ook rapporten van de Indiase krijgsmacht spreken reeds geruime tijd over China's militaire aanwezigheid in Zuid-Azië, die enkel zal toenemen naar mate India een grotere economische en daarmee ook politieke rol zal spelen.

Bovendien is in het verleden Chinese militaire hulp aan Pakistan meer dan eens gedocumenteerd, bijvoorbeeld door de Verenigde Staten. De VS zijn het ook die deze week hun bezorgdheid uitspraken over “mogelijke destabilisering van de regio”. Een wapenrace in het gebied, zo verklaarde een woordvoerder van het Pentagon, kan “veel grotere gevaren” met zich meebrengen. Ook de Chinezen zelf hebben hierop gewezen, woedend als zij zijn over de uitlatingen van George Fernandes.

Volgens een woordvoerder van het ministerie van buitenlandse zaken in Peking is “de vriendelijke sfeer” tussen de twee landen “gesaboteerd”. Het is een mening die typisch genoeg ook in New Delhi wordt gedeeld. Fernandes zag zich al gedwongen te verklaren dat hij namens zichzelf en niet namens de regering spreekt. Het Indiase ministerie van BZ doet pogingen de woorden van de minister van defensie te bagatelliseren. En de Indiase marine maakte bekend in september met een deel van de vloot een vriendschapsbezoek aan China te zullen afleggen.

Maar George Fernandes laat zich niet eenvoudig het zwijgen opleggen. Hij is de leider van de Samata Partij, een van de klassiek socialistische groeperingen in India, die tot verbazing van velen lid is geworden van de regeringscoalitie onder leiding van de rechts-nationalistische BJP van premier Vajpayee. Eind jaren zeventig was Fernandes korte tijd minister van industrie. Hij maakte furore door multinationals als Coca Cola en IBM het land uit te gooien.

Na de opstand in 1959 tegen de Chinese overheersing van Tibet is de Dalai Lama met bijna honderdduizend andere Tibetanen gevlucht. India bood hun onderdak en gaf zelfs de Tibetaanse regering in ballingschap haar eigen onderkomen. Officieel echter erkent India volledig de Chinese aanspraken op Tibet. In India mogen de Tibetanen hun stem laten klinken, maar de autoriteiten in New Delhi steken geen hand voor hen uit. George Fernandes ziet dit anders. Voor hem waren politiek en maatschappelijke actie steeds verweven.

Zo liet hij enkele maanden terug, tijdens de regeringsformatie, weten dat wat hem betreft ondernemingen als Coca Cola opnieuw de deur gewezen mochten worden. Zelf zei hij geen ambities te hebben lid te worden van het kabinet. Maar Vajpayee kon niet om hem heen. Zijn benoeming tot minister van defensie was ook bedoeld om hem buiten gevoelige binnenlandse zaken te houden. Maar nu heeft hij zich in de buitenlandse porseleinkast begeven.

De man die in eigen huis onderdak biedt aan Burmese studenten in ballingschap , was eind vorige maand de gastheer van de Chinese stafchef van de krijgsmacht, Fu Quanyou. In diezelfde periode maakte de politie een einde aan een hongerstaking in New Delhi van zes Tibetanen, waarop een van hun vrienden zichzelf in brand stak. Treffender en schrijnender kan het dilemma voor de mensenrechtenactivist Fernandes en de bewindsman met dezelfde naam niet worden geschetst.

Na de korte oorlog van 1962 heeft het ruim een kwart eeuw geduurd voordat enige dooi optrad in de betrekkingen tussen India en China. De vroegere Congres-premier Rajiv Gandhi was de eerste die een serieuze poging deed de banden aan te halen. Sinds die tijd zijn de twee verwikkeld in complexe onderhandelingen over de precieze status van hun duizenden kilometers lange grens. Het bezoek aan India van de Chinese president Jiang Zemin, anderhalf jaar geleden, leek de toenadering, hoe voorzichtig ook, te bezegelen.

Maar met het optreden van Fernandes lijken India en China bijna terug bij af. “Zaken van nationale veiligheid moeten de zorgen van het volk zijn,” zo meent de bewindsman. Dat is ongetwijfeld waar, maar verraadt weinig diplomatieke gevoeligheid voor de manier waarop China in het openbaar wenst te worden afgeschilderd. Fernandes wil zeker ook de aandacht afleiden van India's fixatie op Pakistan, het land waarmee het driemaal in oorlog was, maar dat uiteindelijk militair geen bedreiging is. Door China luidkeels te betitelen als “potentiële dreiging nummer een” worden de zorgen van het volk alleen maar groter.

mailIcon print |