DEN HAAG - “Dick uit zijn gevoelens niet, hij formuleert ze”, zei zijn vroegere fractiemedewerkster twee jaar geleden tegen Vrij Nederland over Dick Tommel, sinds 1994 staatssecretaris van volkshuisvesting.
In elk geval dit weekeinde klopte die karakterisering niet. Tommel toonde zich heel erg teleurgesteld over de roemloze achttiende plaats die de D66-leden hem hebben toebedeeld. Zo teleurgesteld, dat hij de eer aan zichzelf heeft gehouden: dan maar niet op de lijst. Op de vraag of hij nog beschikbaar is voor een volgend kabinet antwoordt hij slechts, dat hij die nu niet aan de orde vindt.
De 55-jarige Tommel had gedacht dat hij bij de eerste tien zou staan. Hij is per slot van rekening bewindsman, en hij heeft twaalf jaar voor D66 in de Kamer gezeten. Dat kunnen weinig kandidaten hem nazeggen.
Maar de 3500 leden hebben anders geoordeeld. Hij mag dan op het departement bekend staan als een beminnelijke man, een vrolijke vent, iemand die altijd in is voor een grapje. Maar waar kent het gemiddelde lid hem van? Van de schier eindeloze reeks koppen in de krant 'Tommel botst met Kamer.'
De kwalificatie van VVD-fractievoorzitter Bolkestein - 'Tommel is een politiek onbenul' - zullen de D66'ers ook nog niet zijn vergeten. Dat ging weliswaar over Tommels verleden als vice-voorzitter van de vereniging Nederland-DDR, maar zo'n verwijt ligt nu eenmaal heel erg makkelijk in het geheugen. Al is het niet na te gaan in hoeverre dat bij de leden een rol heeft gespeeld. Bij de schriftelijke stemming hoeven ze hun keuze niet te motiveren, ze vullen slechts de namen in volgorde van voorkeur in.
Dat is ook de reden, zegt woordvoerder Dingemans van D66, dat hij niet weet waarom Tommel zo'n lage plaats heeft gekregen. Hij kan slechts zeggen dat dat voor de hogere partij-echelons net zo'n verrassing was als voor de staatssecretaris zelf. Tommels beleid, de uitspraken van Bolkestein? Dingemans zou het echt niet weten. Hij kan slechts wat roepen, en dat doet hij liever niet.
Tegenspeler
Vast staat in elk geval dat Tommel meer dan regelmatig de Tweede Kamer tegenover zich vindt. Belangrijkste tegenspeler daar is Adri Duivesteijn. Deze is geen vertegenwoordiger van de oppositie, maar van regeringspartij PvdA. Tommel heeft zich er altijd over verwonderd dat het sterkste verzet tegen hem nota bene van een coalitiegenoot kwam.
Keer op keer kwam het tot confrontaties, maar de val van Tommel heeft Duivesteijn tot nu toe niet op zijn conto kunnen schrijven. Bij de WBL-affaire, waarbij een parlementarie onderzoekscommissie tot de conclusie kwam, dat zowel Tommel als zijn voorganger Heerma te laat en onvoldoende had ingegrepen in de financiële en bestuurlijke puinhoop bij Woningbeheer Limburg, riep Duivesteijn vooraf dat Tommel zijn fouten moest erkennen. Dat deed de D66'er niet. Maar hij mocht wel blijven.
Talloos waren de botsingen tussen de twee over het huursubsidiebeleid. Duivensteijn wist zich daarin neer te zetten als de man die opkomt voor de alleronderste lagen van de samenleving. Tommel moest zich aan de lijn houden die Heerma, in het vorige kabinet van CDA en PvdA, had ingezet. En dat was nu eenmaal een lijn van verzelfstandiging van de woningbouwcorporaties, van decentralisatie, van een huurbeleid dat zich richt naar de wetten van de markt.
Het is waarschijnlijk te eenvoudig de botsingen tussen Tommel en Duivesteijn louter en alleen toe te schrijven aan de karakters: Tommel de bedachtzame redenaar, Duivesteijn de straatvechter. Bovendien lijken ze in een bepaald opzicht ook op elkaar. Van beiden wordt gezegd dat ze bijzonder vasthoudend kunnen zijn. Maar die houding past nu eenmaal meer bij een politicus dan bij een bestuurder, die Tommel nu is.
De aandacht voor de psychologische verklaringen leidt gemakkelijk af van de ideologische verschillen tussen de twee, beter gezegd tussen PvdA en D66, om van de VVD nog maar niet te spreken. Ook de PvdA denkt niet meer in termen van een door de staat gedirigeerd huisvestingsbeleid, maar de sociaal-democratie is veel meer dan D66 geneigd de kwalijke kanten van het marktdenken bij te laten stellen door de overheid. Bovendien ziet Duivesteijn het huisvestingsbeleid als middel om de tweedeling te lijf te gaan. Tommel legt een zwaarder accent op die beleidsterreinen waar hij niks over te zeggen heeft: onderwijs, volksgezondheid, werkgelegenheid.
Daarom heeft hij er de afgelopen drieëneenhalf jaar zwaar aan getrokken om volkshuisvesting onderdeel te maken van het grote stedenbeleid. Daarom ook heeft hij 1,75 miljard losgepeuterd voor het renoveren van na-oorlogse wijken, en gaat er nog eens 1,75 miljard naar de klassieke stadsvernieuwing. En milieuvriendelijk bouwen, het troetelkindje van Tommel, daarvoor heeft hij ook een prachtig plan gemaakt: met aannemers, gemeentes, en corporaties.
Bij die corporaties zullen ze Tommel niet echt missen. Daar zien ze hem meer als politiek bestuurder dan als echte volkshuisvester, en van het eerste houden ze minder. Ze roemen hem om zijn manier van overleg, om zijn beminnelijkheid, om de wijze waarop hij de lijn-Heerma heeft voortgezet. Maar onder de indruk van zijn beleidsdaden? Dat niet.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.