De auteur is dichter. Van hem verschijnt binnenkort de bundel Artikelen des gedichts (Merweboek Sliedrecht 1997), met daarin een tekst over 'Het gedicht als politiek protest'.
In Van Weenens visie zitten elementen die ik onderschrijf. Poëzie is inderdaad iets anders dan een politiek manifest. Ze heeft bijvoorbeeld niet de functie van blauwdruk voor een andere, betere samenleving. Poëzie is gebaseerd op 'het principe van de omweg', zoals wijlen K. L. Poll ooit kernachtig schreef.
Die omweg leidt uiteraard tot iets. Waar het eindpunt van het gedicht zich bevindt bepaalt de dichter in wezen niet zelf, hij wordt door de inspiratie ernaar toe geleid. Het a priori uitsluiten dat het gedicht bij politiek uitkomt is het opwerpen van een blokkade voor de geest en dus strijdig met het wezen van het dichten. De dichter kiest niet het gedicht maar wordt door het gedicht gekozen. Al staat het gedicht dat de dichter schrijft natuurlijk niet los van wie hij is.
In Tijd en Taak van 3 februari 1990, het voormalige orgaan van de Woodbrookers in de PvdA, publiceerde Hans Schoen een informatief stuk over de relatie tussen dichten en politiek. Hierin schrijft hij onder meer: “Zowel de poëzie als de politiek bedienen zich van het woord en als het goed is wil men met die woorden de waarheid onthullen (. . .) De dichter vooral een individuele waarheid, de politicus een collectieve waarheid”.
Zodra de leefsituatie ergens zo verandert, dat fundamentele rechten van de mens worden geschonden, wijzigt zich de verhouding tussen politiek en dichter. Dichters voelen zich dan bedreigd in de fundamentele voorwaarde voor hun dichterschap: de vrijheid van dichten. In omstandigheden waar de pen van de dichter wordt vastgehouden door de censuur, worden vaak ook andere media in hun vrijheid van meningsuiting beperkt. In zulke situaties gebeurt het regelmatig dat het medium, dat de individuele waarheid verkondigde, een andere functie krijgt: het gedicht proclameert dan de gemeenschappelijk waarheid.
Op een manifestatie als Poetry International wordt dit verschijnsel frequent gedemonstreerd. Ook in de bloemlezing Als ik vrij kom, uitgegeven door Amnesty International in 1983, getuigen dichters dat zij hun werk in dienst stellen van het heroveren van één van de meest rudimentaire rechten van de mens: de vrijheid om te schrijven wat je wilt!
Juist in poëzie kunnen dichters op hun wijze de soms schrijnende conditie van de werkelijkheid onder woorden brengen. Dit gebeurt nogal eens door 'de waarheid te liegen', zoals Bertus Aafjes het noemde. Geëngageerde verzen hoeven niet per definitie bol te staan van kale, plompverloren en ideologische taal, zoals Van Weenen suggereert. Vaak gaat het in zulke poëzie om ritmische taal tot op het bot, doorleefd, betrokken en authentiek. Gedichten zijn pas daadwerkelijk poëzie als ze aan deze kenmerken voldoen! Men leze 'De achttien doden' (1941) van Jan Campert er maar eens op na.
Gelukkig bepalen lezers uiteindelijk de status van een gedicht. Wanneer poëzie in bepaalde omstandigheden juist vanwege het engagement of geëngageerd taalgebruik voor de lezer een waardevolle rol in het leven speelt, wie zal hem dat dan kwalijk nemen? Van Weenen heeft het over goede poëzie als poëzie die 'raakt aan de grenzen van het menszijn', een rake omschrijving. Het zou dichters schromelijk tekort doen als je hun werk als overbodig kwalificeert, omdat ze geëngageerd schrijven in of over situaties waarin het gaat om de strijd om wezenlijke zaken als vrijheid, zelfstandigheid, waarheid en, in het meest ultieme geval, leven.
Het gedicht met de titel 'Het woord liefde' van de Chileense dichter Jorge Soza (1926), bevestigt mijns inziens het ongelijk van Van Weenen om geëngageerde verzen als weinig 'diepzinnig', als niet goed en zelfs als non-poëzie te typeren. Jorge Soza, werd in 1973, na de staatsgreep van Pinochet, voor vier jaar verbannen. Het vers bewijst dat poëzie uitstekend kan functioneren als uiting van politiek protest. Soza dicht: 'Iets beweegt tijdens de avondklok/ de wind verspreidt verboden liefjes./ ik zie je daar/ met een stift in de hand./ het oog van de stengun/ kijkt toe maar vergeefs./ tussen de namen van de verdwenenen/ schrijf je steeds het woord liefde.'
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.