*

 
dossier

Archief

Ds. Fokkelien Oosterwijk wil de arrogantie van de meerderheid aanpakken

MARLIES KIEFT − 07/10/95, 00:00

MAASTRICHT - “Sommige mensen zeggen: nou, nou moedig hoor. Hoe dùrf ik? Ja, hoe durf ik.” Het opvolgen van een fenomeen als ds. Nico ter Linden legt een extra druk op haar. Maar ds. Fokkelien Oosterwijk (1952) uit Maastricht denkt wel dat zij 'genoeg eigenheid' heeft om op haar manier pastor te zijn van de Amsterdamse Westerkerk.

Morgen doet zij haar intrede, terwijl haar voorganger zich gaat wijden aan het herschrijven van bijbelverhalen voor mensen van nu. Eerder zei ds. Oosterwijk gekscherend dat ze Fokkelien heet, 'en niet Nicolien'. “Ik ben geen vrouwelijk Nico ter Linden, dat wil ik niet, dat kan ik niet, dat ben ik niet. Een fenomeen moet je niet na willen doen.”

Dat staat als een huis. Standvastig, bijna streng klinkt zij ook door de telefoon: “Met dominee Oosterwijk”. Ds. Fokkelien Oosterwijk, die voor haar benoeming in Maastricht predikant in Oudorp (bij Alkmaar) was: “Maastricht paste om me heen als een jas. Men leeft hier graag, men kijkt graag. De een speelt het spel, de ander heeft de rol van toeschouwer, en andersom. Maastrichtenaren geven graag af op autoriteiten, maar ze moeten er niet aan denken dat die er niet zijn, want waar kunnen ze dan op afgeven? Het is de eerste stad naar het Zuiden die een pantoffelparadecultuur heeft. Aan het eind van de dag gaan ze aan de wandel. Je moet het spel meespelen. Hollanders hebben de neiging deze aandacht voor het uiterlijke met oppervlakkigheid te betitelen. Maar is het zo slecht om niet overal innerlijk een punt van te maken, om gemakkelijker te leven? Maastricht heeft een bepaalde chique, niet de chique van: wij hebben veel te besteden. Het komt, denk ik, voort uit een oude traditie die van eenvoud en armoe geleerd heeft iets te maken. Een familie die niet veel te makken had, haalde met carnaval de gordijnen eraf en maakte dat tot een mooie draperie. Na het carnaval hingen ze de gordijnen weer op.”

Levenskunst noemt de dominee dat. Maastrichtenaren weten overal iets van te maken. Zelfs van begrafenissen. Ook het Bourgondische spreekt haar aan. “Ik ben in die elf jaar dat ik hier heb gewoond ieder jaar een kilo aangekomen. Een soort jaarringen. Carnaval vier ik met overgave. Ik ben als een kind zo blij als ik me onherkenbaar kan schminken. Dat heeft misschien te maken met mijn openbare functie. Ik was eens als Japanse verkleed met een zwarte pruik, een kimono en een parasol. Ik heb nog met gemeenteleden gedanst, ze hadden geen idee dat ik de dominee was. Het vroor elf graden en ik schuifelde op rode laarsjes door de stad, wapperde met mijn waaier en zei tegen iedereen: wallem hè? Ik ben ook weleens een jaar niet verkleed geweest en ging met vrienden uit het Noorden kijken naar het carnaval. Mensen zeiden: dag dominee. Ik schaamde me. Ik voelde me een voyeur. Met carnaval moet je meedoen of wegblijven.”

Dopen met de kwast

In het roomse Maastricht was zij de afgelopen elf jaar ook een soort ambassadeur van de protestantse kerk. Fokkelien Oosterwijk was hervormd predikant in de St. Jan, de kerk met de hoogste toren van de stad, maar dat betekende nog niet dat de protestantse gemeente daardoor vanzelfsprekend bestaansrecht verwierf in de ogen van de katholieken. “Je bent een minderheid. Je moet steeds roepen: hallo, wij zijn er ook nog. Ik heb er hard voor gelopen om die vanzelfsprekendheid van de meerderheid, de arrogantie te veranderen. Rooms-katholieken zitten soms nog vol vooroordelen over protestanten. Die zouden niet dopen of die dopen met een kwast. Sommigen vinden het nog steeds eng de St. Jan binnen te gaan. Zij hebben van jongs af aan geleerd dat daar de duivel zit. Daar was het niet pluis. Dan moest je biechten als je daar naar binnen was geweest. Het steegje tussen de protestantse St. Jan en de rooms-katholieke St. Servaas heet het Vagevuur. De St. Jan was de hel, St. Servaas de hemel.”

“Dat er ooit eén kerk zal zijn, is voor mij een illusie. Maar op kruispunten van het leven moet je bij elkaar terecht kunnen. Wij hebben hetzelfde geloof, maar we leggen andere accenten. Als er een dierbare wordt begraven moet een protestant in een r.-k. kerk niet geweigerd worden van de eucharistieviering.”

Zo'n weigering tot deelname aan het Avondmaal heeft ds. Oosterwijk aan den lijve ondervonden en ze krijgt hoogrode wangen bij de herinnering eraan. Ze was als hervormd predikant uitgenodigd om een katholieke herdenkingsmis op 4 mei bij te wonen. Toen ze reeds voor in de kerk stond, op het punt deel te nemen aan de viering, zei de deken: 'Ik kan het u niet geven'. “Dat was een klap in mijn hart. Daar heb ik jaren last van gehad. Wanneer je je wezenlijk genodigd voelt en je wordt afgewezen, ontkend. Voor mij is juist het hart van het evangelie dat je altijd goed genoeg bent. Dan heeft een ambtsdrager niet het recht om namens God te zeggen, eerst dit, eerst dat.”

“Ik heb veel energie gestoken in het uitleggen wat ons protestanten bezielt en het me verdiepen in wat hen bezielt. Mijn studie over Mariaverering heeft daar veel aan bijgedragen (ze schreef over dit onderwerp het boek 'Een dienstmaagd in verhoogde staat, kanttekeningen bij het beeld van Maria', red.). In de Mariaverering zitten wezenlijk herkenbare dingen voor protestanten. Rooms-katholieke gevoelens komen al te vaak overeen met wat protestanten voelen voor Jezus. Als je elkaars devotie begrijpt, kun je elkaar beter de ruimte geven.”

Ze noemt zichzelf een praktisch theoloog. “Ik ben een mens van invallen, ik exegetiseer tamelijk associatief, meer dan dat ik elk woord napluis. Ik preek vanuit het pastoraat. Dan bedoel ik niet: 'Nou was ik laatst bij de weduwe Jansen...' Het pastoraat wordt een deel van jezelf. Als je met mensen meeleeft weet je welke tekst wat kan losmaken.”

Zij verwacht dat er in de Amsterdamse Westerkerk een groot pastoraal beroep op haar gedaan zal worden. “Ik hoop dat ik het kan behappen. De eerste maanden wil ik uitgebreid kennismaken met het leger vrijwilligers, zodat ze de stap naar mij gemakkelijker doen. Het onderlinge pastoraat, oog hebben voor elkaar, is zeer belangrijk.”

De Westerkerk lijkt haar een “groot feest”. Fantástische organist, goed koor. Snel zegt ze erachter aan: “Je moet het ook zonder dat kunnen. Een ad hoc cantorijtje in een dorpskerk is ook dierbaar. Je moet alles geven wat je hebt. Ook in een kleine kerk. Als een mens na zoveel jaar weer eens in de kerk komt, is het jouw schuld als hij niet terugkomt omdat jij je best niet hebt gedaan.”

mailIcon print |