*

 
dossier

Archief

'We hebben de indruk dat de afgestudeerden goed terecht komen'

JOHAN WOLDENDORP − 24/01/97, 00:00

Dit is het vierde en laatste artikel in de serie 'Armoede in de sport'. De voorgaande afleveringen verschenen op 11, 15 en 18 januari.

“Zo erg is het ook weer niet,” zegt secretaris George Ballieux van Cios Nederland. En hij lepelt wat percentages op. “Twintig procent van de afgestudeerden doet een vervolgstudie. Zeventig procent heeft vrij snel een baan, waarbij we als criterium minimaal een parttime functie aanleggen. Tien tot vijftien procent zoekt werk dat niet of zijdelings met de sport heeft te maken. Dan moet je denken aan artsenbezoek, sportbeurzen en vertegenwoordiging in andersoortige producten. Over het algemeen hebben we van de afgestudeerden van de laatste jaren de indruk dat ze goed terecht komen.”

Ton Friederichs is somberder gestemd. Als directeur van de bij de FNV aangesloten BWS (Bond voor Werknemers in de Sport) heeft ook hij een redelijk inzicht in wat de arbeidsmarkt de afgestudeerden aan het Cios (waarvan er vijf zijn in Nederland) en de academies voor lichamelijke opvoeding biedt. Bij Sportjobs, het arbeidsbemiddelingsbureau in de sport, staan ruim 3000 werkzoekenden ingeschreven. “Voor de helft zijn het mensen van het Cios,” vertelt Friederichs. “Van die 1500 zijn er ongeveer 700 à 800 werkloos. De rest heeft voor het grootste deel van die sprokkelbaantjes. Ze sprokkelen bij verschillende verenigingen vier, acht of twaalf uur bij elkaar. Zodra er banen komen van meer dan twintig uur, dan kun je Cios'ers daarin zo kwijt.”

Friederichs bevestigt de getallen die Ballieux noemt, maar weet niet hoe snel de geluksvogels één of meer baantjes in de sport vinden. En ook als de sportleiders officiëel niet meer werkzoekend zijn, is hun status als werknemer vaak bedroevend slecht. “Want met al die sprokkeluurtjes is het lastig een vast inkomen te verwerven.” Sportjobs stelt zich daarom niet alleen ten doel te bemiddelen, maar ook een modus te vinden waardoor van vele kleine banen er één volwaardige kan worden gemaakt. Met andere woorden: dat een overkoepelende organisatie namens allerlei clubs als werkgever optreedt.

“Kleine verenigingen zijn niet in staat het werkgeverschap goed in te vullen,” stelt Friederichs vast. “In Noord-Holland, Drente, Noord-Brabant en Friesland is het technisch kader in dienst van een provinciale sportservice instelling. Dat is echter een puur administratieve regeling. In de praktijk treedt de vereniging als werkgever op.” Die constructie is niet nieuw. In de jaren zeventig bestond in de provincie Groningen de stichting Spoint, die formeel als werkgever van het sportkader van de aangesloten clubs fungeerde. “De Spoints (want het initiatief kreeg in den lande navolging - red) hadden een dubbelfunctie,” gaat Friederichs verder. “Ze hadden een opdrachtgever en een opdrachtnemer-relatie. Daar zat de trainer dan tussenin. Het bureau regelde de administratie voor de vereniging, maar als er een probleem ontstond tussen een werknemer en de club, stond Spoint niet te trappelen om de vereniging te corrigeren.”

Het sporttechnisch kader werd de afgelopen twee decennia voortdurend heen en weer geslingerd tussen allerlei subsidieregelingen. De financiële tegemoetkoming aan verenigingen werd afgeschaft omdat het systeem te willekeurig was. Daarnaast verschilde het enthousiasme om een gericht stk-beleid te ontwikkelen nogal per provincie. Het voor stk'ers bestemde geld gaat nu naar landelijke organisaties (lees: bonden) die het op regionaal niveau kunnen inzetten. Sportjobs werd als experiment opgericht om de arbeidsbureaus de sportspecifieke arbeidsbemiddeling uit handen te kunnen nemen. Vorig jaar leek het doek over het instituut te vallen, maar inmiddels hebben de betrokken partijen (NOC-NSF en de sociale partners) een convenant getekend waarin zij zich verplichten “voor een langere periode financierbare, efficiënte, lokaalgerichte arbeidsbemiddeling te realiseren”. In de aanloop naar een definitieve structuur voor de arbeidsbemiddeling is Sportjobs ook dit jaar nog verzekerd van subisidie. De meeste afgestudeerden aan het Cios en de alo's, voorzover ze werk zoeken in de sport, staan ingeschreven bij Sportjobs.

Er is werk genoeg in deze vrije tijdsindustrie. Er is meer dan voldoende aanbod. Het is volgens de huidige wettelijke regelingen en afspraken alleen moeilijk inzetbaar. Op het nationale debat over sport en werkgelegenheid, dat eind november werd gehouden, stelde PvdA-kamerlid Ruud Vreeman voor twee- tot drieduizend Melkert-banen in de sportsector te creëren. Ook pleitte hij voor een vorm van loonkostensubsidie voor gekwalificeerd kader, die analoog is aan de KIM-regeling voor het midden- en kleinbedrijf. In het jargon een KIS-regeling: kennisdragers in de sport. Het knelpunt is het werkgeverschap. FNV-voorzitter Stekelenburg opperde tijdens het debat dat Sportjobs zich zou dienen te ontwikkelen tot een deels uit Melkert-gelden gesubsidieerde arbeidspool. Een uitzendbureau dus met vaste banen in de aanbieding. Bij de begrotingsbehandeling van sociale zaken en werkgelegenheid herhaalde Ella Kalsbeek (PvdA) hetgeen er twee maanden geleden op Papendal werd gezegd.

De Melkert-banen zijn in wezen niet ontworpen voor de vele werkloze Cios'ers. “Melkert 1 is er voor de onderkant van de arbeidsmarkt, om de moeilijk bemiddelbare, langdurig werklozen aan werk te helpen,” legt Friederichs uit. “Je praat bovendien over lagere functies. De trainers en sportleiders moet je tot het middenkader rekenen. Zij moeten bovendien naar hun functieniveau worden betaald. Overigens zou dat in de praktijk niet het grootste probleem zijn. Bij Melkert 1 ligt de top op 120 procent van het minimumloon. Veel trainers en Cios'ers werken tegen niet meer dan het minimumloon. Zij nemen liever voor weinig geld een baantje om maar wat om handen te hebben.”

Melkert biedt wel soelaas voor het laagdrempelige toezicht houden en schoonmaakwerk in sportaccommodaties. Friederichs wil ook die functionarissen, die bij geen enkele amateurvereniging een fulltime baan vinden en dus meerdere opdrachtgevers zoeken, formeel in dienst laten treden van een stichting. Het probleem is dat deze detacheringsvorm per 1 juli wordt verboden. Bovendien geldt de subsidieregeling alleen voor organisaties uit de collectieve sector. “Instellingen die voor 50 procent of meer worden gesubsidiëerd,” verduidelijkt Friederichs. “Daar valt geen enkele vereniging onder. Het kromme is dat landelijke sportorganisaties wel weer voor meer dan vijftig procent subsidie krijgen. De hoogte is afhankelijk van het aantal leden; dezelfde leden die zijn aangesloten bij verenigingen.”

De BWS is met sociale zaken en werklegenheid in gesprek om een uitzonderingspositie te creëren. In het kader van het 40 000 banenplan van de regering hoort de sport bij het part dat naar de gemeenten gaat. De andere helft is gereserveerd voor de zorgsector. Niet alle gemeenten maken gebruik van de regeling; welgeteld 79 hebben ingetekend bij binnenlandse zaken, waaronder overigens wel de grote steden. Het ministerie van VWS beheert de zorgsector. Het zou logisch zijn dat de S uit de initialen van het departement gebruik kan maken van regelingen die in het eigen huis gelden en bovendien 'sectorbreed' zijn; dus een landelijke dekking hebben. Bij de verdeling van de Melkert-banen zijn vakbonden nogal beducht voor het verdringingseffect. “Terecht,” vindt Friederichs, “maar in de sport geldt dat niet. Als er al mensen aan de achterkant worden uitgeduwd omdat ze via de voorkant binnenkomen, gaat het om vrijwilligers die twintig uur per week met onderhoudswerk bezig zijn. Dat noem ik geen vrijwilligerswerk meer, dat is arbeid.”

mailIcon print |