De doorsnee-burger heeft geen kennis van de misdaad, schreef de criminologe Elly Rood-Pijpers deze week naar aanleiding van het Trouw-onderzoek 'De staat van het recht'. Maar de feiten liegen er niet om, reageert de crimino-loog Chris Rutenfrans: “De 'doorsnee-burger' heeft gelijk en deskundige Elly Rood ongelijk: sommige etnische minderheidsgroepen plegen naar verhouding veel meer criminaliteit dan de autochtone etnische groep. Daar helpt geen moedertjelief aan, en ook geen mens- en wereldbeeld.”
De doorsnee-burger heeft niet de concrete kennis van de aard en omvang van misdaad en heeft geen duidelijk inzicht in de grenzen van de rechtsstaat en de effecten van gevangenisstraf,' schreef de criminologe Elly Rood-Pijpers in de krant van 13 januari naar aanleiding van het Trouw-onderzoek 'De staat van het recht'.
Een tamelijk arrogante uitspraak. Verder beweert zij dat de visies van mensen op misdaad en straf samenhangen met algemene mens- en maatschappijbeelden. Pessimisten zouden vaker een harde aanpak van misdaad bepleiten, terwijl optimisten meer zouden vragen naar de oorzaken ervan. Zulke verschillen kunnen er best zijn, maar ze doen zich ook voor onder deskundigen als Elly Rood. En het zou niet eerlijk zijn om de visie van Rood op misdaad en straf onderuit te halen door deze uitsluitend te verklaren uit haar optimistisch mensbeeld.
Ik was juist getroffen door de sterke overeenkomsten tussen de opinie van 'de' Nederlander en de feitelijke stand van zaken. Degenen die de enquête beantwoord hebben, blijken gewoon zorgvuldige krantenlezers te zijn. Ze weten dat de laatste jaren een aantal grote drugscriminelen zonder noemenswaardige straf is weggekomen. Ze hebben gelezen dat een aantal dure advocaten beter in staat is schuldige verdachten vrij te krijgen dan anderen. Die advocaten hebben ze bovendien hun triomfen zien vieren op de tv waar ze uitgebreid worden gefêteerd door sterren als Sonja Barend en Ivo Niehe. Wat is de begrijpelijke conclusie van de ondervraagden: de rechtsstaat werkt niet. Gelijk hebben ze.
En ze hebben ook gelijk dat ze zich steeds onveiliger zijn gaan voelen op straat. De criminaliteit is de afgelopen dertig jaar voortdurend toegenomen. De laatste twee jaar is er weliswaar een stabilisatie in de omvang van de misdaad opgetreden, maar deze wordt wel nog steeds ernstiger van aard.
Maar laten we Roods onderwaardering van de meningen van de 'doorsnee-burger' eens toespitsen op de uitkomsten die het meest de aandacht hebben getrokken: die over het verband tussen etniciteit en criminaliteit. Over de bevinding dat 54 procent van de Nederlanders denkt dat leden van etnische minderheden vaker misdaden begaan dan autoch-tonen schrijft Rood: “Men zal de problemen in de samenleving snel toeschrijven aan mensen die per definitie niet tot de eigen groep behoren”. En over de bevinding dat 64 procent van de Nederlanders zegt dat criminaliteit bestreden moet worden door een strikter vreemdelingenbeleid te voeren schrijft ze: “Het verbinden van criminaliteitsbestrijding met een strikter vreemdelingenbeleid getuigt toch ook niet van een grote kennis van beide beleidsterreinen”. O nee? Juist wel zou ik denken. Het getuigt van een bijna lucide inzicht.
Wat zijn de feiten? Het is nog niet eenvoudig daar achter te komen. Tot voor kort waren er alleen onderzoeken naar de criminaliteit van allochtonen in bepaalde buurten of onder specifieke subgroepen. Die gegevens kunnen niet zomaar van toepassing worden verklaard voor de hele groep. Om een landelijk beeld te krijgen kun je te rade gaan bij de politiegegevens over de verdachten van delicten. Maar het probleem daarbij is dat de politie verdachten niet registreert naar afkomst, maar naar land van geboorte. Zodoende hebben de politiegegevens alleen betrekking op de eerste generatie allochtonen. Dat is vervelend omdat de meerderheid van de allochtone jongeren hier geboren is en omdat uit verschillende onderzoeken is gebleken dat deze tweede generatie zich meer schuldig maakt aan criminaliteit dan de eerste generatie. De politiecijfers geven daarom een te rooskleurig beeld van de criminaliteit van allochtonen.
De tot dusver meest accurate gegevens over de allochtone criminaliteit staan in de nota 'Criminaliteit in relatie tot integratie van etnische minderheden' (CRIEM) die de ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie eind 1997 naar de Tweede Kamer stuurden. Daarin zijn landelijke gegevens opgenomen over de etniciteit van de verdachten die in 1995 instroomden bij de arrondissementsparketten. Een officier van justitie besluit daar of die verdachten al dan niet voor de rechter komen. Ook de parketten registreren de verdachten niet naar afkomst, maar naar land van geboorte. De gegevens hadden dan ook alleen betrekking op de eerste generatie. Om een beter inzicht te krijgen zijn deze gegevens eenvoudig omgeslagen over de tweede generatie. Toch blijft het zo verkregen beeld een onderschatting van de ernst van de situatie. De in vergelijking grotere criminaliteit van de tweede generatie is immers niet verdisconteerd. Maar accuratere cijfers zijn er nu eenmaal niet.
Uit die gegevens van de parketten blijkt dat Marokkanen, Antillianen, Surinamers en Turken, naar verhouding tot hun aandeel in de bevolking, oververtegenwoordigd zijn onder de verdachten van misdrijven. Antillianen en Marokkanen spannen de kroon: ze komen respectievelijk 6 en 4,7 keer zoveel voor onder de bij de parketten instromende verdachten als op grond van hun aandeel in de bevolking verwacht mag worden. Surinamers 3,6 keer zo veel en Turken 2,3 keer zoveel. Autochtone Nederlanders zijn ondervertegenwoordigd: zij komen minder (0,8 keer zo veel) voor onder de verdachten dan hun bevolkingsaandeel zou rechtvaardigen. Interessant is ook de restcategorie 'overigen'. Dat zijn mensen uit Afrika (behalve Marokkanen), het Midden-Oosten, Oost-Europa, Midden- en Zuid-Amerika en het Verre Oosten. Die mensen kunnen wat betreft hun achtergrond natuurlijk onmogelijk op één hoop worden gegooid, maar ze zijn wel met een factor drie oververtegenwoordigd onder de verdachten.
Een andere bron van gegevens is de populatie van de gevangenissen. De justitiële jeugdinrichtingen registreerden, in ieder geval tot voor kort, hun clientèle naar afkomst. Hier geboren Marokkanen werden dus niet als Nederlander genoteerd, maar als Marokkaan. De etnische samenstelling van de jeugdinrichtingen geeft dan ook een beeld dat het beste overeenkomt met de werkelijkheid. Dat beeld is niet florissant. Van de jeugdgedetineerden is 29 procent Marokkaan, 11 procent Surinamer, 6 procent Turk en 5 procent Antilliaan. Een minderheid van 49 procent is autochtoon of 'overig'.
Deze gegevens geven slechts een beeld van het allochtone aandeel in de 'gewone' criminaliteit. Over de betrokkenheid van etnische minderheidsgroepen in de georganiseerde misdaad bestaan geen betrouwbare landelijke gegevens. Het rapport van de commissie Van Traa geeft een alarmerend beeld van die betrokkenheid. De onderzoeken die ernaar zijn gedaan, zijn echter te zeer gebonden aan enkele specifieke wijken en de gegevens ervan kunnen niet veralgemeniseerd worden. De CRIEM-nota ontleent aan die onderzoeken de volgende punten:
- De Turkse drugshandel bestaat vooral uit de handel in heroïne; import, groothandel en detailhandel zijn vrijwel geheel in handen van Turken; voor de straathandel worden ook Marokkanen, Surinamers en Nederlanders ingezet; de drugshandel is zeer aantrekkelijk en toegankelijk voor jonge Turken zonder toekomstperspectief.
- In Rotterdam is de internationale drugshandel volledig in Marokkaanse handen. - Onderzoek in de Bijlmer leert dat de Surinaamse georganiseerde misdaad zich voor het overgrote deel richt op de handel in drugs, in het bijzonder in cocaïne.
Deze feiten liegen er niet om. De 'doorsnee-burger' heeft gelijk en deskundige Elly Rood ongelijk: sommige etnische minderheidsgroepen plegen naar verhouding veel meer criminaliteit dan de autochtone etnische groep. Daar helpt geen moedertjelief aan, en ook geen mens- en wereldbeeld. Optimisme of pessimisme kunnen deze realiteit kleuren, maar niet doen verdwijnen. Het is ook niet erg verstandig om, zoals jarenlang gedaan is, deze feiten te ontkennen, te negeren en te verdoezelen.
Criminaliteit is niet alleen vervelend voor de directe slachtoffers en de samenleving, maar ook voor de betrokkenen zelf - en niet alleen omdat ook de niet-criminele leden van de groep erop worden aangekeken. Criminaliteit is altijd het zeer hinderlijke symptoom van een onderliggende ernstige kwaal waar de samenleving minder last van heeft en die dus ook minder wordt opgemerkt.
Marokkanen, Antillianen, Surinamers en Turken zijn, op groepsniveau, niet alleen crimineler dan autochtonen, maar bevinden zich ook in andere opzichten in de marge van de samenleving. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) spreekt in het rapport 'Tweedeling in de samenleving' (1996) over een structurele achterstandssituatie van de allochtonen in Nederland: “laag opgeleid, vaak werkloos, met een relatief beperkt inkomen en een relatief slechte woonsituatie in specifieke grootstedelijke wijken”.
Veel deskundigen concluderen hieruit dat de hoge criminaliteit van de allochtone groepen volledig valt toe te schrijven aan hun slechte sociaal-economische positie. Zo'n verklaring is verre van toereikend. Antillianen bijvoorbeeld hebben een veel hoger opleidingsniveau en een veel lagere werkloosheid dan Marokkanen en Turken. Toch nemen ze in de criminaliteit een toppositie in, ruim boven de Turken en zelfs nog iets boven de Marokkanen. De simpele verklaring van criminaliteit uit maatschappelijke achter-stand wordt ook weerlegd door het feit dat de maatschappelijke positie van Marokkanen en Turken ongeveer even slecht is, terwijl de Marokkanen een groter aandeel hebben in de geregistreerde criminaliteit dan de Turken. Uit zijn analyse van twaalf onderzoeken concludeert de criminoloog Ed. Leuw dat het allochtone aandeel in de criminaliteit relatief hoog blijft, ook als rekening is gehouden met hun sociaal-economische achter-stand.
Het lijkt dan ook verstandiger een andere benadering te kiezen. Daarin wordt de slechte sociaal-economische positie van sommige etnische groepen én hun relatief hoge criminaliteit toegeschreven aan een en dezelfde factor: een gebrekkige integratie in de samenleving. Die slechte integratie is de echte kwaal, de maatschappelijke uitingen ervan zijn de symptomen. De vraag is dan waardoor die kwaal precies wordt veroorzaakt. Wat ligt er ten grondslag aan al deze ellende? De CRIEM-nota zoekt het antwoord deels in de cultuur van de verschillende allochtone groepen, in het bijzonder in de wijze waarop die cultuur tot uitdrukking komt in de opvoeding van de kinderen. Deze benadering stemt overeen met de criminologische inzichten over het nauwe verband tussen opvoeding en criminaliteit. Volgens de prominente Amerikaanse criminoloog Travis Hirschi is opvoeden het aanleren van zelfbeheersing, van uitstel van behoeftenbevrediging. Eerst speelgoed opruimen, eerst boterhammen opeten, en dan pas een snoepje. Eerst huiswerk maken, en dan pas computeren of sporten. Hoe beter kinderen leren hun primaire impulsen, driften en verlangens onder controle te houden, hoe groter hun zelfbeheersing, des te beter ze zullen voldoen aan wat de samenleving van hen eist. Een simpel voorbeeld: hoe langer de periode waarin geld verdienen wordt uitgesteld om een zo hoog mogelijk opleidingsniveau te halen, des te meer geld er uiteindelijk verdiend kunnen worden. Omgekeerd zal een laag niveau van zelfbeheersing gemakkelijk leiden tot crimineel gedrag, alcoholisme en andere vormen van drugsverslaving. Maar dat zijn niet de enige uitingsvormen. Het onvermogen behoeften uit- of af te stellen zal ook tot uiting komen in een laag opleidingsniveau, werkloosheid en het ontbreken van stabiele, langdurige relaties met anderen.
De westerse cultuur eist een betrekkelijk hoog niveau van zelfbeheersing. Aan laaggeschoold werk is steeds minder behoefte. Om een redelijke kans te hebben op een baan, moeten jongeren zich langdurig van alles en nog wat ontzeggen om de benodigde opleidingen te voltooien. Daarbij komt dat door de individualisering, de ontzuiling en de erosie van gezagsstructuren een belangrijk deel van de sociale controle is weggevallen. Om de samenleving nog enigszins op orde te houden, zal die lacune moeten worden opgevuld door steeds meer zelfcontrole. Vanuit het perspectief van Marokkanen, Turken, Surinamers en Antillianen zal ook de emancipatie van vrouwen en homoseksuelen veel zelfcontrole vereisen.
Een groot deel van deze allochtone groepen is afkomstig uit kleine gemeenschappen op het platteland van hun landen van herkomst. Die gemeenschappen kenmerken zich door hechte familiebanden en traditionele gezagsverhoudingen tussen ouders en kinderen, en tussen mannen en vrouwen. De sociale controle is er nog zo sterk - veel sterker dan in het Nederland van de jaren vijftig - dat zelfcontrole helemaal niet nodig is. Bovendien is het vereiste scholingsniveau voor het voorhanden zijnde werk zo gering dat de levensfasen van opleiding en van werk nauwelijks te onderscheiden zijn. De opvoeding is dan ook niet gericht op het aanleren van zelfbeheersing maar op het duidelijk maken van de veel eenvoudiger principes van sociale controle: vader is de baas over moeder en de kinderen, en als vader niet in de buurt is, nemen manlijke familieleden en manlijke autoriteiten zijn plaats in.
In Nederland is deze opvoeding op z'n zachtst gezegd inadequaat. De CRIEM-nota noemt enkele in het oog springende specieke opvoedingskenmerken van de vier belangrijkste allochtone groepen. De Marokkaanse opvoeding legt een sterke nadruk op trouw aan de eigen groep en stam. Jongens leren dat een man respect moet verdienen door lef te tonen en zich niets door anderen te laten zeggen. “Hierdoor zijn Marokkaanse jongens wellicht niet zo gevoelig voor ambtelijke autoriteit”, merkt de nota voorzichtig op. Buiten het gezin genieten Marokkaanse jongens een grote vrijheid. Hun ouders gaan er vanuit dat de verantwoordelijkheid voor de opvoeding in de publieke ruimte en op school ligt bij politie en onderwijzers. Het gedrag van Marokkaanse jongens onttrekt zich zodoende al vanaf jonge leeftijd aan het toezicht en de correctie van volwassenen. Daarbij komt dat Marokkaanse vaders hier vaak jarenlang gescheiden van hun kinderen hebben gewerkt en, uiteindelijk, werkloos zijn geworden. In de ogen van hun zoons hebben ze gefaald. Ze spreken niet eens redelijk Nederlands. Daardoor staan ze als opvoeder en identificatiemodel vrij zwak.
Dat is bij Turkse vaders minder het geval. Ook zij hebben, hoewel wat minder lang dan de Marokkanen, jaren gescheiden van hun gezin geleefd. De sterke Turkse gemeenschapsbanden zorgden er echter voor dat hun vaderrol werd overgenomen door andere mannen. Die sterke sociale binding heeft ook het nadeel dat Turkse kinderen en jongeren worden weerhouden te integreren in de Nederlandse cultuur. Jongens hebben dan nog iets meer bewegingsvrijheid dan meisjes.
Veel Marokkanen en Turken beseffen volstrekt niet welke eisen het Nederlandse onderwijs stelt aan ouders en kinderen. Zij gaan ervan uit dat de school het terrein van de onderwijzers is en dat die zich maar moeten redden met de kinderen. Voor de wereld van de school en voor schoolprestaties tonen ze weinig belangstelling. Toezicht op en begeleiding bij het huiswerk is er niet bij. Spijbelen merken ze niet op, laat staan dat ze het zien aankomen.
De culturele aanpassingsproblemen van Surinamers en Antillianen moeten duidelijk worden onderscheiden van die van Marokkanen en Turken. De eerste groepen onderscheiden zich gunstig van de laatste doordat ze de Nederlandse taal meestal goed beheersen, hun opleiding redelijk goed is en hun werkloosheid veel minder hoog is. De zeer hoge criminaliteit van Antillianen wordt voor een groot deel veroorzaakt door jongeren die hier zonder familie naartoe zijn gekomen en leven buiten de structuur van een gezin. Ze komen vaak uit de marge van hun eigen samenleving, spreken niet of nauwelijks Nederlands en hebben vaak geen opleiding van betekenis genoten.
Een structureel opvoedingsprobleem van deze Westindische groepen is het ontbreken van een vaderfiguur. De moeder is de spil van het gezin, de vaders van de verschillende kinderen komen en gaan. In het land van herkomst wordt deze vaderloze opvoeding gecompenseerd door een uitgebreid netwerk van familierelaties. Hier ontbreekt dat en resteert de treurige werkelijkheid van het eenouder-gezin dat leeft op een sociaal minimum-niveau. Veel alleenstaande moeders werken. Surinaamse vrouwen hebben zelfs vaker een betaalde baan dan autochtone vrouwen, constateert het WRR-rapport. Maar door de combinatie van werk en eenouderschap hebben zij het wel veel zwaarder. Voor de opvoeding blijft vaak te weinig tijd en aandacht over.
Wie de hier geschetste problemen van de vier omvangrijkste allochtone groepen in Nederland tot zich laat doordringen, zal beseffen dat eenvoudige oplossingen niet bestaan. Voor een degelijke aanpak is meer kennis geen overbodige luxe. De CRIEM-nota pleit dan ook voor een betere registratie naar etniciteit, niet alleen door politie en justitie, maar ook door consultatiebureaus en het onderwijs. Omdat de wortel van de problemen ligt in de opvoeding, moet daarbij van overheidswege krachtige ondersteuning worden verleend. Consultatiebureaus moeten zich gaan bezighouden met taalbeheersing, sociale ontwikkeling en opvoedingsproblemen. Schoolverzuim en voortijdig schoolverlaten moeten krachtig worden bestreden.
Het zal liggen aan mijn wat pessimistische mens- en wereldbeeld dat ik er niet gerust op ben dat de problemen van allochtonen binnen de komende honderd jaar zijn opgelost. De Amerikaanse criminoloog Michael Tonry schat dat nieuwkomers in de westerse cultuur ongeveer drie generaties nodig hebben om ingeburgerd te raken (Trouw, 4-12-'97). Dat geldt natuurlijk niet voor allen in gelijke mate. Sommige allochtone groepen zullen sneller integreren dan andere, en ook binnen de allochtone groepen die zich moeilijk aanpassen, zullen er zijn die dat wel lukt. Tonry constateert dat Aziatische groepen het in de VS veel beter doen dan andere etnische minderheden, hoewel ze beginnen met dezelfde sociaal-economische achterstand. Zijn verklaring is dat Aziaten in hun opvoeding “een sterke training in zelfdiscipline” krijgen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.