*

 
dossier

Archief

EERHERSTEL VAN GEZAG

WILLEM BREEDVELD − 02/02/96, 00:00

Een van de opvallendste kenmerken van het rapport van de commissie-Van Traa is dat er pagina's lang, eigenlijk het hele rapport door, consequent gewerkt is aan een eerherstel van het gezag. Opvallender nog: deze lijn is ongetwijfeld uitgezet door een voorzitter die in de jaren zestig nog als journalist met gloeiende wangen verslag heeft gedaan van de Mei-revolutie in Parijs in 1968. Daar, in de Franse hoofdstad wankelde het gezag en hij, Van Traa, ervoer het als iets groots.

Wat je kunt zeggen is dat het sindsdien met het gezag bergafwaarts is gegaan. De autoriteiten werden in rap tempo te kijk gezet. Gewone mensen die de gebruikelijke egards, c.q. serviliteit in acht namen jegens het gezag, werden door de provo's belachelijk gemaakt als klootjesvolk en in Den Haag haalde de politiek onder druk van bewegingen als Nieuw Links, de evangelisch radicalen en in het algemeen, onder druk van de brede stuwkracht van het progressieve denken, bakzeil op alle fronten.

Hoe komt zo'n Van Traa er bij dit door de jaren heen verguisde gezag weer een ereplaats toe te willen kennen? Als typische representant van de jaren zestig zal hij dat ongetwijfeld niet hebben gedaan uit een plotseling ontvlamde liefde voor de autoriteiten. Het woord alleen al. Evenmin kun je Van Traa ervan verdenken, dat hij - zoals zoveel radicalen uit de jaren zestig - uit een autoritair vaatje is gaan tappen omdat hij inmiddels zelf tot het exclusieve gilde van de autoriteiten is doorgedrongen. Zo hebben we Van Traa niet leren kennen tijdens de vele boeiende verhoren van zijn commissie.

Nee, Van Traa blijkt door de harde realiteit met zijn neus te zijn gedrukt op de noodzaak van gezag. Wat zijn commissie aantrof was een opsporingsapparaat dat verwikkeld was in een drievoudige crisis, doende was onze rechtsstaat te laten afglijden naar het niveau van een bananenrepubliek. Het zijn grote woorden, maar kun je die overdreven noemen als in het politie- en justitieapparaat zogenaamde 'autonomen' hun gang bleken te kunnen gaan, commissarissen van politie een minachting aan de dag legden voor hun opsporingschefs bij het openbaar ministerie en politiek en bestuurlijk verantwoordelijken geen benul hadden welke ontsporingen zich onder hun 'bekwame' leiding voltrokken?

De paradox is dat deze situatie kon ontstaan onder politiek verantwoordelijken die zich in het algemeen juist bij uitstek plegen te identificeren met het gezag. Mensen die als geen ander gehamerd hebben op gezag en orde, op een harde aanpak van drugscriminelen, blijken de grootste verantwoordelijkheid te dragen voor het afglijden van de rechtsstaat. We denken hier aan de successievelijke ministers van justitie, Korthals Altes en Hirsch Ballin. Maar ook aan hun vele companen in de Tweede Kamer, die niet moe werden op het gezagsaambeeld te hameren.

Het is ontluisterend te moeten lezen hoe juist deze gezagsridders genadeloos door de mand zijn gevallen. Zij wisten van toeten noch blazen. De criminaliteit willen aanpakken is één ding, maar tegelijkertijd de grondbeginselen overeind houden van onze rechtsstaat is weer een heel andere vraag. Voor dit laatste is een absolute voorwaarde, zoals Van Traa het verwoordde, dat er geen bevoegdheden worden uitgeoefend zonder verantwoordelijkheid en dat er geen verantwoordelijkheid mag bestaan zonder verantwoording. Alleen wanneer aan deze kernvoorwaarde is voldaan mag het gezag zich gelegitimeerd weten en zal het gezag ook als vanzelfsprekend gezag kunnen afdwingen.

Kijken we nog even terug naar de jaren zestig, dan blijkt dat de grote stormloop vooral plaatsvond omdat het gezag in werkelijkheid een lege dop bleek. De autoriteiten achtten zich voldoende gelegitimeerd door het loutere feit dàt ze autoriteit waren. De gezagsridders van de jaren tachtig en negentig maakten weer de fout dat ze het gezag met spierballenvertoon dachten te kunnen herstellen.

De verdienste van Van Traa is nu dat hij voor anker is gegaan bij 'gezag' in de volle betekenis van het woord. Dat hij deze prestatie geleverd heeft zonder dit keer het woord gezag met wrange bijsmaak te belasten, moge een huzarenstukje heten.

mailIcon print |