Vele methoden zijn aangewend om drugsverslaving te lijf te gaan, maar nog altijd is er geen consensus over de juiste aanpak. Het ene lande beschouwt de gebruiker als een crimineel, het andere als een patient. Door de week en in de bijlage ZenZ besteedt Trouw aandacht aan 'afkicken': hoe wojrdt in landen als Singapore, Amerika, Zweden, Frankrijk en Nederland omgegaan met een van de grootste problemen van deze tijd, de drugsverslaving. Vorige afleveringen stonden in Trouw van 9, 13, 16 en 21 december en 6, 9, 12 en 17 januari.
De overeenkomsten zijn frappant, zeggen ze. Junks lopen in de valkuil van de drugbaronnen, vissen worden een prooi van de listen van de hengelaar. Maar zelfs al zijn ze gevangen, dan nog is voor beiden de strijd niet helemaal verloren. De vis kan worden teruggezet, de junk geholpen.
Voor de vissers van het opvangtehuis Alfagarden, zelf allen ex-junks, is het antwoord eenvoudig. Waar zij, met dank aan artsen, psychologen, psychiaters, therapeuten en de vriendschap van lotgenoten weer toekomstperspectief hebben, gunnen zij de forellen de vrijheid waar ze recht op hebben. Ze zijn, klinkt het overtuigend, net zo zuinig op die vis als de hulpverleners dat al jaren op hun zijn.
Voor de inwoners van Alingsas, een dorp op vijftig kilometer van Gothenburg, was het 25 jaar geleden wennen toen in één van de buurtgemeenschappen de eerste ex-drugverslaafden neerstreken. Sterker, ze schrokken zich te pletter toen daar, zonder enige waarschuwing vooraf, een paar geraamten voor hun neus stonden. Ze zagen hun bevende handen, de tatoeages op hun armen en benen en hoorden hun gebrekkige spraak. Ze walgden. Junks, sommigen net uit de bajes, in dìt dorp, temidden van dit natuurschoon, in deze hechte gemeenschap, dat moest een enge droom zijn. Het kon niet anders of de beleidsmakers in Gothenburg en Stockholm hadden hun verstand verloren.
Maar de skeletten bleven en toen de meesten na verloop van jaren, weldoorvoed als ze inmiddels waren, alsnog gingen, namen anderen hun plaatsen in. Het leidde tot aanhoudend verzet, oproer zelfs, ook nadat de 'criminelen' waren verhuisd naar een grotere, nog wat verder van de bewoonde wereld gelegen opvang, die van landhuis Alfagarden. Kinderen kregen van hun ouders een 'straatspeelverbod' opgelegd en voor het eerst in de eeuwenoude geschiedenis van Alingsas werden de deuren van boerderijen en stallen van metalen hangsloten voorzien. Het dorp zou volgens lokale helderzienden in snel tempo uitgroeien tot broeinest van verslaafden en dealers. Maar de Zweedse overheid, het drugsprobleem al in die jaren spuugzat, handhaafde Alfagarden als opvangtehuis voor ex-verslaafden.
In deze gezonde, bosrijke omgeving immers, ver weg van de verleiding van de grote stad, de spanning, en op ruime afstand van de drugsscene, moest het met de patiënten van Alfagarden wèl goed komen, was de redenering. Hier konden mensen, die na tientallen jaren van drugsgebruik net waren afgekickt in één van de Zweedse klinieken of uit de gevangenis waren ontslagen, zich eindelijk ontspannen, echt zichzelf zijn. Hier hoefden ze van hun hart geen moordkuil te maken, konden ze huilen als ze dat wilden, gillen als ze vonden dat dit moest en kregen ze hulp als ze die nodig hadden. De ligging van Alfagarden en de geringe omvang van het project - maximaal acht patiënten - stonden bovendien garant voor een sterk op het individu gerichte benadering. De inwoners van Alingsas moesten maar zien te wennen aan hun gasten en wie dat niet kon of wilde, deed er beter aan te verhuizen, was de kern van de boodschap.
Nu, na zoveel jaar, is de kritiek verstomd. Geen wanklank meer over de bewoners van Alfagarden, alleen maar lof. Zij horen bij het dorp zoals ook het boemeltje naar Gothenburg daar bijhoort. Zij praten met de fabrieksdirecteur die hier zijn 'buiten' heeft en leren de jeugd hoe je zelf met eindeloos geduld een kunstvlieg kunt maken, handig als je forellen wilt vangen. Zij doen er boodschappen bij de slager, de bakker en een enkeling tref je op zondagochtend zelfs in de kerkbanken aan, zij het op de laatste rij. Ze hakken hout voor de open haard en maken 's winters de smalle paden vrij van sneeuw. Ze hebben voldoening in die karweitjes, zien die als een soort van genoegdoening voor zichzelf èn voor een samenleving, die hun weer accepteert.
Wie tegenwoordig nog zo dom is één verkeerd woord over Alfagarden te zeggen, krijgt het flink te verduren met de dorpelingen. Lars Nilsson, de lokale houtbewerker: “Die jongens zijn eigenlijk prima. Maar eerst? Ja, toen dachten we: 'junks, laten die ophoepelen, laten ze dat tuig lekker zelf in Gothenburg houden.' Maar er zijn nooit gekke dingen gebeurd. Niemand die ongemak van ze heeft. We zijn ze nu gewend, al is het waar dat als je er één ziet, je toch nieuwsgierig blijft wat hij gaat doen, waar hij naar toe gaat. Je houdt ze meer in de gaten dan anderen. Maar als je met ze praat, zijn ze heel gewoon. Als ik zou zien dat zo'n knaap door één of andere gek belaagd werd, zou ik het zo voor hem opnemen. Zo werkt dat in het leven. Overal en altijd, denk ik. Mensen wennen aan elkaar, hoe verschillend ze ook zijn en welke achtergrond ze ook hebben.”
Barbro Svensson, de mentor van Alfagarden die met drie assistenten en een psycholoog de staf vormt van het tehuis, weet als geen ander dat haar cliënten zich geen misstap kunnen permitteren. “Eén diefstal die niet wordt opgelost, één misdrijf, en de mensen zullen toch naar Alfagarden wijzen. Maar in dat gevaar schuilt deels ook een uitdaging. We moeten samen voorkomen dat de inwoners van Alingsas de kans krijgen te zeggen: 'die lui deugen niet.' Niemand is erbij gebaat dat we elkaars vijanden worden of dat wantrouwen een rol van betekenis gaat spelen. Eerst gebeurde dat wel. De dorpsbewoners begrepen gewoon niet wat hun overkwam. Natuurlijk hadden ze gehoord van de drugsproblemen in de grote steden en de steeds fellere roep dat daar iets aan gedaan moest worden. Maar nooit hadden ze erbij stilgestaan dat één van de oplossingen misschien wel in hun dorp lag. Toen dat gebeurde, dachten de mensen dat het afgelopen zou zijn met de rust, de veiligheid, de geborgenheid. Pas veel later kwam de kentering, ontstond er begrip. Daar kwam, als pluspunt, bij dat er elders in Zweden meer Alfagardens kwamen. Zo werd gedeelde smart halve smart en deed de gewenning de rest.”
Alfagarden, modern van opzet, heeft een prachtige tuin, die uitzicht biedt over het meer en het daarachter gelegen woud. De bewoners hebben er elk hun eigen (slaap)kamer. Familieleden of vrienden kunnen in de speciale logeerkamer overnachten en wie prijst stelt op een vertrouwelijk telefoongesprek, kan daarvoor terecht in een van de privévertrekken. Daarnaast is er een gemeenschappelijke kamer, waar zij de maaltijden gebruiken, kaarten of naar de televisie kijken.
De meeste bewoners kwamen al op twaalf-, dertienjarige leeftijd in aanraking met drugs, amfetaminen, maar ook hasj en heroïne, en hebben een vaak gewelddaddige achtergrond. Alvorens vrijwillig hun intrek te nemen in Alfagarden, hebben zij in een van de Zweedse klinieken een vijf dagen durende afkickbehandeling ondergaan. In en rond het landhuis doen ze alles verplicht samen. Ze onderhouden de tuin, koken zelf hun maaltijden, stoffen de kamers, doen de afwas, kappen hout. Eenmaal per week praten zij met Barbro Svensson en haar assistenten over eventuele onderlinge wrevel alsmede huishoudelijke aangelegenheden en regelmatig zijn er de gesprekken met de psycholoog. Dan trekken ze zich terug in het gastenverblijf van Alfagarden en vormen naar het 'familie-idee' een kring bij de open haard.
Een minderheid van nog geen dertig procent redt het uiteindelijk niet en geeft na verloop van tijd - na een week of soms na zes maanden - te kennen dat de honger naar drugs sterker is dan een relatief onbekommerd verblijf in de 'open unit'. Die mannen mogen hun boeltje pakken en gaan, maar blijven een volgende keer welkom. Van een enkeling staat vast dat een terugkeer in de maatschappij onmogelijk is. Dat alleen de rust die hij nu kent, garant staat voor een 'drugsvrij' leven. Hij blijft, wellicht tot op zijn oude dag, bewoner van Alfagarden.
Maar voor de meesten gloort er een nieuwe toekomst. Die trouwen soms en vinden, dankzij de bemiddeling van de gemeente Gothenburg en het arbeidsbureau, werk als verhuizer of schoonmaker. Barbro Svensson ontkent dat de kleinschalige opvang een druppel op de gloeiende plaat zou zijn. “Iedere junk die van de drugs afraakt, is er één”, onderstreept zij de filosofie van de Zweedse overheid. “Dat dit beleid werkt, bewijst de internationale belangstelling wel. Natuurlijk zijn de kosten hoog. Maar het geld is onmiskenbaar nuttig besteed en dat kan van de schade van diefstallen en berovingen door junks niet worden gezegd. Het is een bewuste afweging die we hebben gemaakt. Om de patiënten te laten beseffen dat hun opvang veel geld kost, laten we ze achttien kronen (ongeveer ¿ 4,50 - red.) per dag betalen. Meestal wordt dat ingehouden van hun uitkering of, als ze werk hebben, van hun loon. De rest financiert de overheid.”
De bewoners mogen veel, maar krijgen ook beperkingen opgelegd. Het gebruik van alcohol, zelfs een enkel glaasje cider, is verboden. Roken daarentegen is toegestaan. De eerste maand van hun verblijf in Alfagarden mogen de mannen alleen onder begeleiding naar Gothenburg. Na die periode mogen zij tijdens de weekeinden met 'verlof', mits zij precies aangeven waar ze dan logeren. Voor het overige moeten zij 's avonds uiterlijk tien uur binnen zijn. Behalve 's zomers, want dan brengen ze de nachten door aan de waterkant.
Barbro Svensson: “Toen we net bestonden, hanteerden we naar Amerikaans voorbeeld een heel strakke discipline. Ook de therapeutische behandeling was anders, meer gericht op het schaamtegevoel.” Het was, zegt de mentor, de periode dat de Zweden genoeg hadden van de 'vrijheid-blijheid-beleving' waar het drugs en seks betrof. “Flower-Power, het idee dat alles moest kunnen, raakte uit de gratie. De natie schudde op haar grondvesten toen bleek dat het drugsgebruik onder jongeren onvoorstelbare vormen had aangenomen. In die sfeer werden hals over kop maatregelen genomen met als doel de zaak zo snel mogelijk te normaliseren. Maar de overheid liep te hard stapel. De weg terug was veel minder eenvoudig dan we met z'n allen dachten.”
Als eerste van de vele drugshulpprojecten lag Alfagarden op de gewenste koers. “Beperkt als onze capaciteit is, kostte het weinig moeite om het beleid binnen de kortste keren bij te stellen en de Amerikaanse methoden te laten voor wat die waren”, vertelt Svensson. “De mentaliteit van de Zweden is nu eenmaal anders dan die van de Amerikanen. Zo pikten onze cliënten het niet dat roken verboden was. Zodra ze dat hoorden, stonden ze bij wijze van spreken al met één been in het boemeltje naar Gothenburg. Dus zeiden we: 'wie roken wil, gaat z'n gang'. Kettingrokers worden in de maatschappij tenslotte ook niet opgepakt en in een verslaafdenkliniek gestopt. Daarnaast hebben we nu veel meer dan eerst aandacht voor teambuilding, samen knokken. Elkaar steun geven in de moeilijkste omstandigheden. Dat geeft deze mannen het zelfvertrouwen dat ze zo hard nodig hebben.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.