De Japanse bevolking maakt zich steeds meer zorgen over de toekomst en in die zin blijken Japanners, ondanks de uiterlijke schijn van eenvormigheid, mensen van vlees en bloed. De levenslange zekerheid van een baan en de volledige overgave aan het bedrijf is niet zeker meer. Zelfs de lente brengt meer weemoed, dan hoop. Een eerste artikel in een serie over de economie van Japan, die aan revisie toe is. De serie wordt in de komende weken voortgezet op de economiepagina's.
Op de vraag weet hij het antwoord namelijk al, maar 'nee' zeggen doet men niet graag in Japan. “Ik zal even de huishoudelijke dienst bellen, meneer.” Het leger van miljoenen sarary-mannen (witte-boordenwerkers) dat dagelijks uit de onafzienbare voorsteden per metro wordt aangevoerd om de Tokiose overheidsburelen en kantoren van grote bedrijven te bevolken, loopt er vrijwel uniform bij: kaki regenjas, donkerblauw kostuum, omo-wit overhemd met een zo kleurloos mogelijke stropdas en ... zwarte schoenen. De enkele alternatieveling die een andere kleur schoenen aan heeft, wijkt daarmee zo af dat hij kennelijk ook geen schoensmeer nodig heeft. “Het spijt me ontzettend, meneer, maar de huishoudelijke dienst meldt dat we op dit moment geen bruine schoensmeer in huis hebben. Ook geen kleurloze, alleen zwarte.” Hij staat er beteuterd bij, prevelt spijtbetuigingen als was het een boeddhistische mantra, buigt enkele malen diep en wacht tot de verbaasde gast zich heeft afgewend voor hij overgaat naar de volgende vragensteller aan zijn balie.
Zwart is de kleur voor mannenschoenen, is in dit land afgesproken en zwart zal het voorlopig ook wel blijven. De Japanse hang naar harmonie heeft van eenvormigheid in gedrag en andere persoonlijke uitingen al lang geleden een hoog gewaardeerde eigenschap gemaakt. De sjieke winkels van het zaken- en uitgaanscentrum Ginza in hartje Tokio bieden wel degelijk bruine of zelfs nog gekkere kleuren schoenen. Bestemd voor kunstenaars, tv-persoonlijkheden of andere beroepsafwijkers die bestaan bij de gratie van buitenlandse modegrillen. De hoofdmoot van Japanse witte-boordenwerkers draagt zwart aan de voet, dat is de code. Als je die doorbreekt voldoe je niet aan verlangd gedrag en plaats je jezelf buiten de groep. Een gruwel voor de meeste Japanners, die hun identiteit vooral ontlenen aan de groep. In laatste instantie omvat die de totale Japanse bevolking. Ontkenning van die gedragscodes is dan uiteindelijk een ontkenning van de Japanse ziel. Buitenlanders zullen dit nooit begrijpen, denken Japanners en zij zien hierin de uniekheid van Japan weerspiegeld.
Maar zo uniek is het land nou ook weer niet. Achter de schijn van de codes gaat een werkelijkheid schuil van mensen van vlees en bloed die soms van andere aardbewoners verschillen, maar in veel zaken met hen overeenkomen. Japan is bij uitstek het land waar oost en west samengaan. Het land herbergt een kaleidoscoop aan culturen. Met grote graagte nemen Japanners vreemde zaken over en passen dat in hun bestaande cultuur in. De 'honger-mentaliteit' noemt de conservatieve politicus en romanschrijver Shintaro Ishihara dat.
Tegelijk is er een grote angst 'het eigene' kwijt te raken. Dat brengt af en toe afkeer voor buitenlanders aan de oppervlakte, onderhuids is huiver voor vreemden bijna permanent aanwezig. Chinees boeddhisme, Europese politieke instellingen, Amerikaanse eet-, muziek- en mediatrends, het is er allemaal en gaat allemaal samen. Dat maakt het zo lastig dat eigene, dat echt Japanse te duiden. En toch is er iets. De bierhal is perfect nagemaakt, inclusief de jodelmuziek, maar je voelt je geen moment in Beieren of Tirol. Dat geldt eveneens voor de Britse pub, voor de Parijse boulangerie. Het zijn facades, maar wel hele mooie. Tokio, met zijn 12 a 13 miljoen inwoners, is een ware metropool, met wolkenkrabbers van staal en glas, met volgepropte snelwegen die soms tot drie verdiepingen hoog de stad doorkruisen, met keukens uit alle delen van de wereld. Maar kosmopolitisch is het geenszins. Het twintig keer zo kleine Amsterdam is veel wereldser. De varieteit aan mensen is in Tokio zowat nul. Je bent voortdurend omringd door mensenlichamen, maar het zijn bijna alleen maar Japanners. Het handjevol (blanke) buitenlanders dat hier zijn weg zoekt gunt elkaar een schielijke blik, als teken van herkenning, als een soort groet van motorrijders op de weg. Omarming van het vreemde en de melancholische hang naar voorbije, eigen schoonheid gaan in Japan hand in hand. Dat maakt de verwarring almaar groter.
Als Tomiko Chiba in de hal van haar huis naast de schoenen van haarzelf, haar man Kiyoshi ook dat bruine paar van de Hollandse gast met kleurloze smeer poetst, voelt ze dat zeker niet als verraad aan de Japanse identiteit. Ook in haar huishouden gaan oost en west geruisloos samen. Kennelijk heeft men hier in Suzuka, een provincieplaats 400 kilometer ten westen van Tokio, niet zo veel last van witte-boordencodes uit de hoofdstad. De hal waar Tomiko op haar hurken in de weer is, herbergt schoenen met alle kleuren van de regenboog, inclusief de lompe, westerse tienergympen van haar zoons Sakaguchi (16) en Tetsuo (15).
De jongens, toch aan het eind van hun middelbare school, spreken nauwelijks een woord over de grens, hetgeen hun verlegenheid nog eens accentueert. Ook tegen hun ouders zijn deze westers gekapte en geklede tieners - volgens de laatste mode hangt de grof geruite bloes los over de spijkerbroek - uiterst timide en zijn ze nauwelijks hoorbaar aanwezig. Af en toe komt de jongste naar beneden om de televisie aan te zetten, maar als het zappen langs een tiental zenders niets bevredigends oplevert, verdwijnt hij weer zonder boe of ba te hebben gezegd. De oudste komt alleen de kamer in om als eerste de telefoon aan te nemen. Het is weekend en hij verwacht kennelijk een vriendin, maar navraag levert een ontkenning en gegiechel op.
De rust wordt nog extra benadrukt omdat allen op kousevoeten rondlopen. Schoenen zijn in Japanse huizen verboden en die staan dus allemaal in de hal bij de voordeur. In het toilet staan voor de gebruiker muiltjes klaar. Aan een touwtje weliswaar, want het is niet de bedoeling dat deze onreine dingen mee het huis in gaan. Omdat Japanners geen centrale verwarming kennen, is het buiten de huiskamer steenkoud. De gladde houten vloeren door het hele huis maken het voor de onwennige kousenvoet extra onaangenaam. Het elektrische kacheltje - overigens wel computergestuurd - dat centraal in de huiskamer staat is het enige verwarmingspunt in de woning, terwijl het klimaat toch met Nederland vergelijkbaar is - met veel kou, wind en regen. De Chiba's hebben er geen erg in, de Hollandse gast des te meer.
Het enige uitje die zaterdag - het regent pijpestelen - is een wandeling naar de supermarkt. De Chiba's wonen in een redelijk welvarende buitenwijk, Kooriyama-cho. De eengezinshuizen ogen er eender van stijl en kleur en zijn alle opgetrokken van kunststof. Hout is te duur en baksteen is niet gebruikelijk in dit door aardbevingen geteisterde land. Ze staan los van elkaar, maar de ruimte tussen twee huizen is nauwelijks twee meter. Land is peperduur in Japan. Een tuin wordt zo te zien niet belangrijk gevonden. Wel een carport, waarmee een aantal nieuwe bewoners druk bezig is die te overkappen. Kiyoshi vertelt dat een carport verplicht is in Japan. Zonder zo'n voorziening kan je geen auto kopen. Parkeren langs de straat is verboden. Van alle verhalen dat het, ondanks de stand van de economie, met de kwaliteit van het leven slecht gesteld is in Japan is hier niets te merken. De huizen zijn weliswaar wat kleiner dan de westerse doorsneematen, maar de mensen hier zijn doorgaans ook een maatje kleiner. De huizen bevatten ongeveer alles wat een mens zich kan wensen, inclusief een toilet dat op het riool is aangesloten.
De supermarkt is binnen ruim opgezet. Buiten is er niet al te veel parkeergelegenheid, maar de meeste bewoners komen lopen of met de fiets, meldt Tomiko. Naast de produkten die bekend zijn in het westen is er een ruim aanbod aan typisch Japanse produkten zoals zeewier en vele soorten rauwe vis uitgestald. De prijzen zijn pittig te noemen, gemiddeld twee maal zo duur als in Nederland. Kiyoshi wijst op de lege schappen waar anders de zakken Japanse rijst hoog liggen opgetast. De enkele zak die er nog ligt komt uit Thailand. Vreselijk vinden Japanners die buitenlandse rijst en maken veel stennis over de recent toegestane import. Noodzaak echter vanwege de te kleine eigen oogst. Het televisie-journaal laat die avond beelden zien van rijen mensen wachtend op de laatste pallet Japanse rijst in hun supermarkt. De Thaise soort wensen ze niet aan te raken. Rijst is voor Japanners een bijna religieus artikel en buitenlanders kunnen niet aan hun hoge maatstaven voldoen, vinden ze. De Chiba's doen ook mee aan deze bijna-hysterie, maar geven toe nog nooit niet-Japanse rijst te hebben geproefd. Daar komt het voorlopig ook niet van, want beider ouders zijn rijstboeren en aanvoer van de geliefde soort is daarmee verzekerd.
Anders dan de zaterdagse Albert Heijn in Nederland ademt deze supermarkt in Suzuka een weldadige rust uit. Er zijn hooguit tien mensen in de toch redelijk grote winkel en drie van de vijf caissieres staan met elkaar te kletsen om de tijd te doden. Nou is het er in deze rustige buitenwijk nooit overvol, maar de laatste tijd is het er wel heel stil, beaamt Tomiko. De recessie die de Japanse economie al twee jaar teistert gaat langzamerhand haar tol eisen. De resultaten van de bedrijven lopen terug of worden al in het rood geschreven. Ontslagen zijn er niet gevallen. Dat is in Japan met zijn traditie van levenslange baanzekerheid niet gebruikelijk. Bedrijven doen er alles aan om hun vaste personeel in dienst te houden.
Toen elektronicafabrikant Pioneer begin vorig jaar, om de personeelskosten wat te drukken, de unieke stap deed en aan 35 managers uit het middenkader vriendelijk verzocht wat eerder met pensioen te gaan, ging er een golf van verontwaardiging door het land. Een gerespecteerde onderneming kan zoiets van haar werknemers, die hun hele leven aan het bedrijf hebben gewijd, gewoon niet verlangen, is de overheersende mening in Japan. Tegenover die baanzekerheid staat echter wel een achteruitgang in inkomen als de tijden slecht zijn en dat zijn ze nu. Ruwweg een derde van het jaarinkomen van een Japanse werknemer bestaat uit overwerk, winstdelingen en zomer- en winterbonussen. Die sneuvelen stuk voor stuk naar mate het bedrijfsresultaat dat vereist. In Suzuka gaat men die pijn nu voelen. De supermarkt is leger dan anders en ook de conjunctuurgevoelige horeca beleeft slechte tijden. “In de jaren tachtig groeiden de bomen tot in de hemel en zag je groepen van tientallen mensen na het werk hier komen om te drinken en te eten. Vandaag de dag zie je een handjevol collega's die samen een glaasje drinken en daarna onmiddellijk naar huis gaan”, vertelt een plaatselijke horeca-uitbater.
Suzuka met zijn 160.000 inwoners is voor zijn werkgelegenheid grotendeels afhankelijk van de Honda-fabrieken, die hier sinds 1960 gevestigd zijn. Aanvankelijk maakte Honda in Suzuka alleen motorfietsen, nu alleen nog auto's. Het 900.000 vierkante meter (180 voetbalvelden) grote fabrieksterrein overheerst samen met het Formule 1-racecircuit en het pretpark Hondaland de provincieplaats, die met evenveel recht Honda City had kunnen heten. Bijna twee derde van de arbeidende bevolking van Suzuka werkt bij Honda (11000 mensen) of zijn toeleveranciers (25000 mensen).
Ook Kiyoshi Chiba werkt bij de autogigant, de derde van het land na Toyota en Nissan. Hij is er kwaliteitscontroleur, een kantoorbaan. En juist die kantoorbanen staan in de huidige recessie onder druk. Bij vorige perioden van economische teruggang waren het vooral de blauwe boorden die werden weggesaneerd. De huidige neergang treft vooral de witte boorden, die in de groeijaren tachtig bij bosjes zijn aangenomen. Nu Japan de tering naar de nering moet zetten blijken de kantoren overbevolkt. Dat vet wordt nu weggesneden.
Ondanks de traditie dat de grote Japanse concerns geen mensen ontslaan, is hij niet gerust over zijn toekomst vertelt Kiyoshi aan de lage salontafel nadat de boodschappen zijn opgeborgen. “Honda opende in 1989 hier in Suzuka een derde ultramoderne produktielijn, de meest geautomatiseerde ter wereld. Met die drie lijnen kunnen we 3500 auto's per dag maken. In 1991 kondigde zich de crisis al aan. De verkopen liepen dramatisch terug en de parkeerplaatsen met onverkochte auto's stroomden vol. In oktober vorig jaar besloot Honda de avonddienst van een lijn te schrappen. Tot dan toe werkten twee ploegen aan de drie lijnen, 's morgens van 7 uur tot 's middags 3 en van 4 tot 's avonds 12. In december hebben we allemaal twee dagen extra vrijaf gekregen om de produktie te drukken. De economie blijft het slecht doen. Waarschijnlijk wordt in april aan de tweede lijn de avonddienst geschrapt. Daarmee is de produktie bijna gehalveerd. Als het zo doorgaat is het over.”
Kiyoshi trekt een vies gezicht, kruist zijn onderarmen voor zijn borst en zet zijn handen haaks tegen zijn schouders om zijn woorden te onderstrepen. Hij heeft al aardig wat inkomen moeten inleveren in de afgelopen jaren. Het overwerk op zaterdag is geschrapt en dat scheelt gauw 50 000 yen (900 gulden) per maand. De winstuitkering krimpt zienderogen en als ook zijn bonussen (vier a vijf maanden salaris) erbij inschieten komen de Chiba's klem te zitten. Het meest van al vreest hij ontslag. Daar kunnen hij en al die andere van hun baan verzekerde Japanners moeilijk mee overweg.
Of het zover komt durft niemand in Japan (hardop) te zeggen. Maar Honda staat met de rug tegen de muur. Verkopen en vooral de winsten lopen terug. Niet alleen zijn er te weinig kopers, ook de hoge koers van de yen maakt Japanse produkten in het buitenland een stuk duurder. Een oud concurrentievoordeel is daarmee verdwenen. De werknemers die overbodig worden door minder te gaan werken kon Honda tot nu toe nog op andere afdelingen of bij andere vestigingen plaatsen, maar die mogelijkheden raken langzamerhand uitgeput. Een opsteker voor Honda is de motorfietsdivisie, die ondanks de wereldwijde recessie nog goed verkoopt. Maar ook hier geldt de vraag: hoe lang nog?
Tegen etenstijd verzamelt de familie zich in de huiskamer en neemt op de grond plaats rondom het lage tafeltje van 80 bij 80 waar nog net de gekruiste benen onder kunnen. De kamer wordt overheerst door een grote vleugel waaraan Tomiko aan kinderen piano- en zangles onderwijst. Aan de muur hangen de vlaggen van de VS en Canada gelardeerd met honkbalpetten, souvenir van een maandenlang verblijf van Kiyoshi en wat collega's bij Honda-vestigingen in die landen. Kiyoshi leest de krant - hij heeft er twee per dag - en probeert wat over Nederland te vinden. Slechts een keer klinkt de kreet 'Ah, Oranda'. Het blijkt een bericht over een collega-journalist die in China is aangehouden wegens het praten met een dissident. Voor het kacheltje ligt de poes Fujita te spinnen. Aangehaald wordt de gezellige dikkerd niet door te aaien, maar door soms best harde tikjes boven op zijn kop. Kennelijk vinden Japanse poezen dit plezierig want hij blijft gewoon liggen.
De bel gaat. De Chiba's hebben vrienden uitgenodigd voor de maaltijd, Masahiro Morimoto met zijn vrouw en twee kleine jongens. Terwijl de vrouwen in de keuken de maaltijd bereiden, klieren de jongens voortdurend met de televisie en praten de mannen over de problemen van Suzuka. Masahiro blijkt bij een toeleverancier van Honda te werken, Yachiyo Industry. Die levert metalen onderdelen aan de autofabrikant. Masahiro is er voorman van de lasafdeling. Ondanks zijn vrolijke voorkomen zit ook deze steunpilaar van de tot voor kort immer groeiende Japanse economie vol zorgen over zijn toekomst. En niet zonder reden. Japanse autofabrieken hebben twee derde van hun produktie uitbesteed aan toeleveranciers. Als het minder gaat vallen daar als eerste de klappen, opdat de moederconcerns hun reputatie van levenslange baanzekerheid kunnen handhaven.
Honda, behorend tot het puikje van de Japanse auto-industrie die wat management- en produktietechnieken betreft in de wereld toonaangevend is, staat model voor de huidige malaise in vele Japanse bedrijven en huishoudens. Steeds meer komt de vraag centraal te staan hoe lang het sociaal contract van enerzijds levenslange baanzekerheid en anderzijds volledige overgave aan het bedrijf, dat zo lang de kern vormde van het Japanse economische succes, valt te handhaven. De sterk toegenomen concurrentie op de wereldmarkt vereist meer en meer flexibiliteit op arbeids- en goederenmarkt, creativiteit van managers en werknemers, en aan de basis daarvan een onderwijssysteem dat niet gericht is op herscheppen, maar op scheppen. Met dit soort zaken is de doorsnee Japanner niet vertrouwd. Het ziet er naar uit dat de pijlers van de reeds geboekte Japanse economische successen niet meer voldoende zijn om die successen ook in de toekomst te prolongeren. Sterker nog, zich tegen een voortgaande groei gaan keren.
Steeds nadrukkelijker wordt Japan met zijn neus op de feiten gedrukt. Feiten die zeggen dat het roer om moet. Niet alleen moet de Japanse politiek, geteisterd door financiele schandalen, grote schoonmaak houden, ook het economisch systeem is aan revisie toe. De economie is volwassen geworden en is aan een nieuwe richting toe. Dat is een lastige want fundamentele keuze. Lastig te meer daar Japanners aan verandering een broertje dood hebben.
Als het eten is opgediend, verplaatst het gesprek zich naar de Japanse kamer. Zoals in de meeste Japanse huizen kent ook de Chiba-residentie een mengeling van westers en oosters. De luxe eetkamer bevat acht tatamimatten - dit soort kamers wordt ook gemeten in het aantal matten en niet in vierkante meters - met in het midden een prachtige mahoniehouten tafel op kleermakerszithoogte waarop schalen met zeer gevarieerde lekkernijen staan uitgestald. In een nis bevindt zich het huisaltaar waar de voorouders worden vereerd. Naast wat prenten aan de muur is de kamer verder leeg, op een enorm kleurenscherm van naar schatting een meter breed na. Als de meute heeft plaatsgenomen op het verwarmde kleed en de eerste stukjes gefrituurde garnalen, aardappelvleesrolletjes, geroosterde kip en rauwkost zijn verorberd komt het gesprek weer op zorgenkind Honda. Niet lang echter, want de oudste zoon des huizes vindt het wel mooi zo en zet, nog onder het eten, de tv aan. Na wat zappen vindt hij de sportzender en even later springt Gerald Vanenburg, die sinds vorig jaar in Japan voetbalt, bijna levensgroot door het beeld. “Ah, Oranda”, roept Kiyoshi voor de tweede keer die dag. Het succes van de in een jaar tijd uit de grond gestampte prof-voetbalcompetitie is een welkom gespreksonderwerp en de zorgen lijken weer even vergeten.
Nadat de tafel is afgeruimd en de Morimoto's weer zijn vertrokken, praten Tomiko en Kiyoshi nog even na met hun buitenlandse gast alvorens het warme bad en het steenkoude bed worden opgezocht. Tomiko verheugt zich op de komende weken als de kersenbomen weer in bloei staan. Deze aankondiging van een nieuwe lente, die van zuid naar noord als een golf over het land trekt, is voor veel Japanners het hoogtepunt in het jaar. Tegelijk wakkert de vergankelijke kersenbloesem hun weemoed naar voorbije en vooral gelukkiger tijden aan. Er is bijna geen ontkomen aan deze zo typisch Japanse gemoedstoestand die alle facetten van hun samenleving doordrenkt. Hun taal heeft er ook een apart woord voor: mono no aware, de helaasheid der dingen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.