*

 
dossier

Archief

Paradepaardjes krijgen op school veel te veel aandacht

Door: redactie − 08/03/95, 00:00

O, wat zijn we toch doodsbang om ouderwets te lijken. We willen bij de tijd zijn en goed op de hoogte. Daarom ligt het woordje onderwijsvernieuwing in ieders mond bestorven. Als elk plan tot vernieuwing ook echt tot iets zou leiden, dan veranderde het onderwijs per seizoen als een kameleon van kleur. Maar zo drastisch gaan die dingen gelukkig niet. De soep is soms zelfs al koud voor hij wordt opgediend.

Toch richten scholen vaak de meeste aandacht op dat enkele speerpunt waarop het etiket 'vernieuwend' zit. Het zijn de blikvangers voor de buitenwereld. Men spint een wolbaal van woorden rond een project van twee weken.

Beleid, integratie, vakoverschrijdend, roldoorbrekend, grensverleggend, innovatief, dynamisch - je harkt wat van die termen bijeen en het gezicht van de school is weer eens mooi opgelapt. In concreto gaat het om een losse lessenreeks, een enkel uitstapje, een lezing verzorgd door een iemand van buiten. Aids-voorlichting in de derde klas, culturele vorming in de brugklas, beroepsoriëntatie in klas vier, interculturele verkenningen voor de tweedeklassers. Alles bijelkaar misschien een les of tien, twaalf, een docent of drie, vier, een week of twee, drie. Maar uithangborden en begeleidende tekst genoeg.

Zo zetten we de buitenwacht op het verkeerde been. Dat zij zo. Maar ook binnen de school gaat onevenredig veel aandacht uit naar de paradepaardjes. Als er aan zelfevaluatie wordt gedaan, is de kernvraag automatisch: Zijn we wel vernieuwend genoeg? Voor zover er bezinnings- of studiedagen zijn, gaan die bijna altijd op aan dit gewetensprobleem. En zo gaat de zelfreflectie zelden over alledaagse zaken. Daarvan neemt men aan “dat we het er met z'n allen wel over eens zijn”. Maar de praktijk is juist anders.

Wat doen bijvoorbeeld met leerlingen die achter raakten door ziekte? Aan ernstige gevallen besteden we wel wat aandacht, maar wie twee of drie lessen heeft gemist, zorge er zelf maar voor dat hij dat rechtbreit. “Neem het maar over van Wietske of Sasja.” Als de leerling niet gehaaid genoeg is om met zijn vragen bij jou aan te kloppen, ben je blij toe.

Je geweten is gesust (eigen verantwoordelijkheid, toch?!), ook al valt het te betwijfelen of die leerling zonder jouw uitleg de stof echt zal beheersen.

Toch zal geen enkele schoolconferentie over zo'n triviaal onderwerp gaan. Stel je voor: we gaan twee dagen discussiëren om af te spreken of je leerlingen met incidentele achterstand moet bijspijkeren. Nogal wiedes, of we gaan in groepjes en met flappen uiteen om te achterhalen of we vinden dat alle leerlingen hun ideeën moeten kunnen spuien. Natuurlijk vinden we dat, einde discussie. Maar geven we ze ook echt de ruimte daarvoor?

Het zou de moeite waard zijn de debatten eens dichter bij huis te brengen. Hoe zit het met die waarden en normen waarover we het op papier en bij de koffie vanzelfsprekend eens zijn? Passen we ze altijd toe, of alleen als puntje bij paaltje komt? Ik bedoel echt de meest alledaagse gang van zaken. Je geeft instructie. Die schrijven ze op. Controleer je wel eens of het goed in hun schrift staat? Je toetst en stelt een norm voor de toest vast. Je wilt het snel teruggeven. Overleg je serieus met een collega over die norm of hak je voor het gemak snel de knoop door?

Zo zijn er talloze voorbeelden te verzinnen waarin je handelt volgens je autoriteit of een traditie. Je weet wel dat je secuurder te werk zou moeten gaan, maar dat is omslachtig en dus te veel gevraagd. Zo ontstaat maar al te vaak de maffe situatie dat leraren met een krul in de neus rondlopen vanwege het speciale project waarvoor ze zich uit de naad hebben gewerkt, terwijl ze tegelijkertijd in hun reguliere lessen de meest vanzelfsprekende waarden overtreden. Dat is het tegendeel van vernieuwing.

mailIcon print |