Het partijpolitieke stelsel in Nederland verkeert in een crisis. Lage opkomstcijfers bij verkiezingen, daling van het aantal partijleden en geldgebrek zijn de belangrijkste problemen. Financiële steun van de overheid kan een eerste stap zijn om uit de impasse te komen.
Het aantal leden van de politieke partijen in Nederland is de laatste decennia drastisch teruggelopen. Momenteel is slechts twee procent van de kiesgerechtigden lid van een partij. Parallel hieraan zien wij een daling van de opkomstcijfers bij verkiezingen. Bij een analyse van oorzaken en gevolgen blijkt dat de politiek in een vicieuze cirkel zit die zo spoedig mogelijk doorbroken moet worden.
De daling van de ledentallen is onrustbarend. De PvdA ging in tien jaar tijd van 97 000 naar 61 000, het CDA van 122 000 naar 86 000 en de VVD van 65 000 naar 50 000 partijleden. Bij deze getallen dient men te bedenken dat naar schatting slechts tien procent van de leden politiek actief is. Als deze ontwikkeling doorzet ontstaan er onoverkomelijke problemen.
De daling doet zich uitsluitend voor bij de grote partijen. Deze waren in het verleden de vertegenwoordigers van afgebakende belangengroepen. De scheiding links-rechts, met andere woorden PvdA versus VVD, was gekoppeld aan maatschappelijke klassen. Intussen zijn de oude tegenstellingen grotendeels verdwenen.
Het CDA vertegenwoordigde uiteenlopende belangen en volgde meestal een middenkoers. Door de secularisatie is de maatschappelijke basis van het CDA echter aanzienlijk versmald.
De daling van het ledental bij de grote partijen is niet alleen een gevolg van maatschappelijke ontwikkelingen. Ook de wijze van politiek bedrijven eist zijn tol. Door de coalitie van paars en door de dichtgetimmerde regeerakkoorden worden de tegenstellingen gecamoufleerd. Over de hoofdlijnen wordt in de Tweede Kamer nauwelijks gedebatteerd. Wel wordt onevenredig veel aandacht besteed aan details, incidenten en gedane zaken.
De daling van het aantal actieve partijleden heeft tot gevolg dat er steeds minder mensen beschikbaar zijn voor politieke functies. Ook de kwaliteit van de politici heeft daaronder te lijden. Bij de laatste gemeenteraadsverkiezingen waren er al problemen bij het vinden van voldoende kandidaten. Voor de Tweede Kamer zijn die er nog wel, maar de kwaliteit laat te wensen over. Een recente enquête liet zien dat veel parlementariërs over onvoldoende economische kennis beschikken.
Voorheen werden mensen lid van een politieke partij uit solidariteit met de maatschappelijke groepering waar men bij hoorde, tegenwoordig is het streven naar een politieke carrière een belangrijk motief. Deze verschuiving openbaart zich reeds in de Tweede Kamer. Deskundigen die uit maatschappelijk plichtsbesef in de politiek terecht kwamen maken plaats voor een nieuwe generatie van ondeskundigen die zich wil profileren en scoren voor de partij. De parlementaire enquête over de Bijlmerramp en de discussie over het Waddengas waren duidelijke manifestaties van de dominante positie van deze groep.
Een ander gevolg van de daling van het aantal partijleden is een vermindering van de financiële middelen. De VVD overweegt nu via sponsoring door het bedrijfsleven gelden aan te trekken voor het financieren van verkiezingscampagnes, onthulde de voorzitter op 23 november in het tv-programma Netwerk. Deze drastische verandering van de politieke mores leidde nauwelijks tot protest.
Als je de politiek aan een bedrijfskundige analyse onderwerpt zie je drie problemen die elkaar versterken: gebrek aan geld, gebrek aan goed personeel en onvoldoende afzet, dat wil zeggen het product verkoopt niet door gebrek aan belangstelling. Wat doet de politiek om deze euvelen te verhelpen?
Het idee van de VVD, geld voor reclame van derden te betrekken, zal ertoe leiden dat het beleid door de financiers wordt bepaald. De politiek zal afglijden naar Amerikaanse toestanden met alle bezwaren vandien. Bij de laatste kamerverkiezingen is reeds de stap gezet naar betaalde radio- en tv-spotjes. Dat leverde beelden van partijleiders en simpele slogans waar de kiezer niet veel wijzer van werd.
Sommige politici willen de belangstelling van de burger wekken via staatkundige veranderingen, zoals referenda en direct gekozen bestuurders. Zulke veranderingen zijn echter geen garantie voor een beter bestuur en zullen de afkeer van kiezers waarschijnlijk niet verminderen (zie ook het artikel van Joost Eerdmans op Podium van 19 november).
De oplossingen die de politiek aandraagt leiden niet tot verbetering van het product. De politieke partijen zijn momenteel te veel in zichzelf gekeerd. Zij kunnen het contact met de burgerij herstellen door meer aandacht te schenken aan vraagstukken waar het publiek zich druk over maakt. Voorbeelden daarvan zijn: de privatisering van nutsbedrijven, de verkeersproblematiek, grote infrastructurele werken, het onderwijs, de immigratiepolitiek.
Het andere probleem, geldgebrek, kan niet door de partijen zelf worden opgelost. Subsidie van de overheid lijkt de enige uitweg. De overheid is, als hoedster van het algemeen belang, de beste sponsor. De subsidies voor de wetenschappelijke bureaus en het jongerenwerk moeten worden verhoogd. Het is dringend gewenst ook voor het gangbare partijwerk een subsidie te verlenen, naar rato van het aantal kamerzetels. De contributies kunnen dan omlaag zodat meer mensen, ook sympathisanten zonder politieke ambities, lid gaan worden van een politieke partij en bijdragen aan de meningsvorming.
Het partijpolitieke stelsel is de basis van onze democratie. Het dient een algemeen belang. Het is daarom onjuist een kleine groep partijleden voor de kosten te laten opdraaien. Voor enkele tientallen miljoenen per jaar kan er veel worden gedaan. Uiteraard stelt de subsidiegever geen voorwaarden die de onafhankelijkheid van de partijen aantast. Deze rijkssubsidie is op zichzelf niet voldoende maar kan wel de aanzet zijn voor verbetering van de maatschappelijke positie van de politieke partijen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.