*

 
dossier

Archief

BESMUIKT GEMOPPER

WILLEM BREEDVELD − 10/05/95, 00:00

Ontbrekend medegevoel, zelfzucht, onverdraagzaamheid en zelfs haatgevoelens tegenover minderheden, uitmondend in de dreiging van een maatschappij die in ontbinding raakt. Toegegeven, het zijn zware woorden. Nochtans bleken de meeste commentatoren de boodschap te waarderen die koningin Beatrix hiermee had samengesteld: vijftig jaar na de bevrijding wordt onze vrijheid niet zozeer van buitenaf, dan wel van binnenuit bedreigd.

Het staatshoofd werd bovendien geprezen voor de fraaie parallel die zij liet zien met de wordingsgeschiedenis van onze Grondwet. Vóór mei 1940 stond daarin nog de integriteit van het grondgebied voorop, de bedreiging van de fysieke landsgrenzen. In 1984 hebben de Staten-Generaal doelbewust het gelijkheidsbeginsel, of het anti-discriminatieverbod, op de eerste plaats gezet, daarmee tot uitdrukking brengend dat thans de integriteit van de mens onze grootste zorg is. “Elk mens is uniek, anders in eigenheid, maar gelijkwaardig aan anderen. Zo hebben de ervaringen van de oorlog hierin hun neerslag gevonden”, aldus koningin Beatrix.

Zo'n verlegging van het zwaartepunt schept verplichtingen. Wie daarom datgene wat we het belangrijkste zijn gaan vinden, bedreigd ziet worden (en wie ziet de tekenen niet, als we alleen al kijken naar de relatieve onverschilligheid waarmee tegenwoordig uitingen van vreemdelingenhaat voor kennisgeving worden aangenomen?) is verplicht de vinger te heffen. Voorzover ik heb kunnen peilen, hebben de meeste Nederlanders de waarschuwende woorden van de vorstin zo ook begrepen.

Des te verbazingwekkender daarom het gemurmureer van veel VVD-politici. Zij vonden de koningin veel en veel te somber. In hun ogen is er geen sprake “van een reëel gevaar van een langzaam afglijden naar een egocentrisch denken en handelen dat de vrijheid van medemensen aantast”.

Natuurlijk, geen van deze politici wilde dit met naam en toenaam hardop gezegd hebben. In het officiële commentaar werd de vorstin geprezen, maar ondertussen stonden de wandelgangen in de dagen na de toespraak bol van hun gemopper en ik heb ook wel een vaag vermoeden waarop hun onvrede is gebaseerd. Maar eerst de vraag of de koningin echt te somber was.

Afgelopen maandag deed zich een goede gelegenheid voor die vraag te toetsen. In de Ridderzaal maakte een internationaal gezelschap van wetenschapsmensen en cultuurvorsers de balans op van vijftig jaar vrede en wat bleek: zij deelden de zorgen van onze staatshoofd. Het 'nooit weer' van de eerste naoorlogse jaren is strikt genomen een holle frase, meende de Franse hoogleraar hedendaagse geschiedenis Grosser. De Poolse schrijver Sczcypiorski onderstreepte dat net als toen nog steeds onderscheid dient te worden gemaakt tussen mensen en on-mensen. En oud-minister van buitenlandse zaken Peter Kooijmans wees erop dat juist door het vervagen van de grenzen burgers zich meer dan ooit bedreigd zijn gaan gevoelen.

Kortom, de boodschap van de koningin blijkt actuele betekenis te hebben. Er dient zich daarom maar één verklaring voor de houding van veel VVD'ers: zij voelen zich persoonlijk door de vorstin aangesproken. De VVD heeft het vreemdelingenprobleem hoog op de politieke agenda gezet en voelt zich kennelijk niet zo op haar gemak onder de vermanende woorden van het staatshoofd. Dacht zij eindelijk zichzelf te kunnen zijn en electoraal nog goed te boeren ook, krijg je van het staatshoofd op je kop. Zoiets zal het wel zijn. Maar laat ik niet overdrijven. Gelukkig waren er ook liberalen, enkelen slechts, die het van harte met de boodschap eens waren. Ja, die plechtig verklaarden dat het juist de zorgen van de vorstin waren die de VVD ertoe hebben gebracht het vreemdelingenvraagstuk indringend onder de aandacht te brengen.

Het lijkt me een zinnige reactie, waarmee de partij bovendien iets van haar verkiezingscampagne kan goedmaken. Maar helaas, zo redeneren slechts de enkelingen. De rest moppert besmuikt in de wandelgangen en illustreert zo de dubelzinnigheid van de VVD.

mailIcon print |