*

 
dossier

Archief

Een spons die nooit slijt

JOHAN WOLDENDORP − 01/02/97, 00:00

Hoe sterk is de eenzame fietser die krom gebogen over zijn stuur tegen de wind zichzelf een weg baant. Hoe toepasselijk - zij het geheel toevallig aan de vooravond van het WK veldrijden in München - is de ballade 'Jimmy' van Boudewijn de Groot in het Duits vertaald. Crossen is een sport voor individualisten, ook al vorm je met zes oranjemannen een heus team. Maar de eenheid is ver te zoeken. Regerend wereldkampioen Adri van der Poel en Richard Groenendaal zullen, krom gebogen over het stuur, elkaar in het Olympiapark hooguit geen tegenwind bezorgen.

Vorig jaar, in het Franse Montreuil, kwamen de vaderlandse vedetten niet tot overeenstemming. Besloten werd elkaar niet tegen te werken. Dat pakte met de winst van Van der Poel niet slecht uit. Wanneer Groenendaal morgen in de finale vooruit zit met een buitenlander die hij in de sprint kan kloppen, zal hij niet op steun uit het oranjekamp wachten. Aan de andere kant gaat het individuele belang weer niet zo ver dat twee Italianen, een paar Zwitsers en een enkele Belg van de onderlinge rivaliteit in het kamp van de scheidende bondscoach Van Dijk mogen profiteren. Met het voldoen van de rekening achteraf valt in de wielersport altijd wel een gapende wond te dichten. Van der Poel was daar de afgelopen dagen duidelijk in. “Wil Wim de Vos winnen? Dan zal hij moeten betalen.” Groenendaal is ook best bereid te dokken wanneer hij in zijn achtste WK de bovenste tree van het ereplatform mag bestijgen. “Maar ik ga dan wel eerst de videoband van de wedstrijd bekijken. Vorig jaar is bij de verdeling (door Van der Poel - red.) mijn rol nogal onderschat.”

Topsport is gebaat bij rivaliteit, ook als de kemphanen uit één land komen. De twee Brabantse musketiers speelden het begin december tijdens een Super Prestigewedstrijd in Gieten aardig door hand in hand de finish te overschrijden. Van der Poel won, Groenendaal wist allang dat hij was gediskwalificeerd, maar reed door. Zoals hij altijd en onder alle omstandigheden doorrijdt. Maar elkaar veel toestoppen, dat ligt niet in beider karakter. “Ik was de gedoodverfde winnaar van de wereldbeker,” haalt Groenendaal nog eens de dramatische veldrit in Heerlen (twee weken geleden) aan, waarin hij op een cruciaal moment een lekke band kreeg en de eindzege die hem niet meer kon ontglippen toch nog in de handen van Van der Poel zag verdwijnen. “Adri heeft dat klassement eerlijk gewonnen, hij heeft het niet gestolen. Daar heb ik dus geen moeite mee.” Van der Poel zei zich lichtelijk gegeneerd te voelen omdat er - door het verloop in beide circuits - een stilzwijgende afspraak was gemaakt: Groenendaal de wereldbeker, de wereldkampioen de Super Prestige. Van der Poel pakte ze achteraf allebei. Groenendaal: “Maar het is correct gegaan. Ik vind niet dat ik iets van hem te goed heb. Hij heeft mij ook koersen laten winnen? Ach, dat valt wel mee. Die zijn op de vingers van één hand te tellen. In Pordenone en Vossem. Die in Pordenone was voor de wereldbeker, die kon ik inderdaad goed gebruiken. Ik ben ook geen voorstander van handjeklap. Dat maakt de sport kapot.”

De palmares van de tweedejaars prof uit Sint Michielsgestel is er één om in te lijsten: acht keer Nederlands kampioen in diverse leeftijdsklassen en categorieën, tweemaal tweede op het WK, wereldkampioen junioren (in 1989) en triomfator in drie wereldbeker- en twee Super Prestigewedstrijden. De drang om te winnen, maar ook om wedstrijden (uit) te rijden, is ongelooflijk groot. Groenendaal is een spons die nooit slijt. Hij absorbeert alles, hij is onverzadigbaar. Maar ook rusteloos. “Ieder WK dat weggeschoten wordt zonder dat ik de hoofdprijs pak, beschouw ik als een kans die teniet is gedaan. En ik ben geen 20 of 21 meer. Ik geloof niet zo in de verhalen dat mijn tijd nog wel komt. Je kunt die trui maar beter in de kast hebben hangen.”

Het gaat hem vooral om de eer. “Het verschil tussen de eerste en tweede prijs in de wereldbeker is dik 13 000 gulden, maar ik had het klassement liever voor de eer gewonnen. De regenboogtrui wil je toch niet voor het geld? Een wereldtitel maakt je onsterfelijk in het veldrijden. In iedere cross word je aangekondigd als wereldkampioen. Ik merk dat nog elke keer wanneer de speaker refereert aan mijn titel bij de junioren.” Hoe verdacht is trouwens de coureur die in München de eeuwige roem krijgt toebedeeld? Waar wordt hij gehuldigd, op het podium of het epodium? “Het eerste,” zegt Groenendaal. “Want veldrijden is niet een sport om gedrogeerd te beoefenen. Het is een wedstrijd van een uur, kort maar krachtig. De Tour duurt drie weken. Wat moet ik er van zeggen? Ik heb er problemen mee dat wielrennen in verband met doping wordt gebracht, terwijl er in andere sporten volgens mij meer aan de hand is. Controles vooraf vind ik goed. Verder houd ik mij niet bezig met verdachtmakingen. Als iemand een klassieker wint, roepen de mensen: 'Pakhaas.' Maar het blijft hoe dan ook een klasse prestatie. Je kunt alles in een ezel gooien, maar daarmee zal het beest echt geen paardenrace op Duindigt winnen. Ik vraag me nooit af of een collega iets heeft gepakt. Doe je dat wel, dan ga je gefrustreerd rondrijden.”

Slijtageverschijnselen

Richard Groenendaal heeft dit seizoen acht veldritten gewonnen, tegen Van der Poel twaalf, de eindklassementen van de twee grote crosscircuits niet meegerekend. De wereldkampioen acht zichzelf in topvorm, bij Groenendaal zijn vervelende slijtageverschijnselen zichtbaar. De afgelopen maand was de oogst met een cadeau gekregen veldrit in het Belgische Vossem mager. “Ik ben ziek geweest,” geeft hij als verklaring. “Het gaat minder, maar daar kan ik verder ook niets aan doen. Ik ben minder scherp. Ik moet het in München maar op me af laten komen. Ik heb de afgelopen dagen bewust rust genomen. Een aardige bijkomstigheid vind ik dat de druk is afgenomen. Ik ben geen favoriet meer.”

Zodra de wedstrijdkalender gereed is, neemt Groenendaal de markeerstift ter hand en streept alles aan wat fysiek en geografisch in zijn bereik ligt. En wanneer hij door pech in een kansloze positie verzeild raakt, beschouwt hij de wedstrijd niet als training, maar probeert hem door bundeling van alle krachten alsnog te winnen. “Dat is de geldingsdrang. Ik wil bij mijn concurrenten respect afdwingen. Ze moeten bang zijn wanneer ik voor de startlijn sta. Ze moeten beseffen dat ik een favoriet voor de zege ben. Wanneer je constant voor de tweede plek rijdt, kijken de renners toch anders naar je. Die omslag heb ik dit seizoen gemaakt. Dat je van week tot week die instelling hebt, slijt er in. Ik denk bij het opstellen van mijn programma nooit: Dat ga ik niet een heel seizoen volhouden. Staan er dertig crosses in mijn agenda, dan wil ik ze alle dertig winnen. Zelfs bij een slechte start, door een lekke band bijvoorbeeld, rijd ik nog om te winnen. Wat dat betreft heb ik het karakter van mijn vader. Rein reed na pech in de eerste ronde ook de ziel uit zijn lijf om toch maar te winnen. Die instelling heeft hem grote koersen gekost.”

Het lijkt met zoon Richard, een veel groter talent dan zijn vader, dezelfde kant op te gaan. “Gerrie van Gerwen (binnen de internationale bond UCI de grote man van het veldrijden - red.) vond de dominantie van Adri en mij zo groot, dat hij een verval van het crossen vreesde. Hij wil nu het aantal materiaalposten verminderen, waardoor de geluksfactor groter wordt en coureurs uit andere landen misschien meer kans hebben. Hij heeft ook het plan gelanceerd het seizoen in te korten. Dat vind ik loze kreten. Ik ben er een voorstander van het seizoen juist wat op te rekken, tot eind februari. Dan kan ik ook beter mijn wedstrijden uitzoeken. Iedereen kan zijn rust nemen, waardoor je automatisch al andere winnaars krijgt. Mij hoef je niet te vertellen dat ik te veel rijd. Mijn trainer adviseert me ook af en toe een weekeinde te rusten. Maar met de huidige kalender kun je toch niet een paar weken naar de zon? Wanneer je een contract sluit voor de Super Prestige, moet je alles rijden. Je kunt niet zeggen: Ik meld me ziek. Dan maak je de sport kapot.”

Uiteraard kent Richard Groenendaal het doemscenario voor het WK in het Olympiapark, daar waar Van der Poel in 1985 tweede werd. Als tijgers liggen Bramati, Pontoni, Frischknecht, Herijgers en zelfs de oude Simunek op de loer om de Nederlandse veelvraten van de rest van het seizoen te vermorzelen. De hele winter hebben ze honger geleden, wachtend op die ene kans. “Gedoseerd rijden? Ik houd er niet van. Ik zou dat niet willen,” zegt Groenendaal. “Bovendien kan ik het me niet veroorloven. De pers pikt het niet, het publiek al helemaal niet en het strookt niet met mijn karakter.”

Hoe moet in München het tapijt eruit zien dat Groenendaal graag voor zich wil laten uitrollen? “Voor mij zou het ideaal zijn wanneer er geen sneeuw ligt. De ondergrond moet niet hard zijn, maar weer niet zo zacht dat het een blubberige toestand is. Maar waar praten we over? Ik wil mijzelf niet kansloos maken door bij voorbaat te zeggen: Dat is mijn parcours niet.”

mailIcon print |