WIJK AAN ZEE - Horen schaakverslagen op de sportpagina's van kranten? “Nee”, beweert de cynicus. De fysieke inspanningen van de spelers bij het beoefenen van hun vak zijn immers te verwaarlozen. “Jazeker, het hedendaagse schaken valt wel degelijk onder de categorie sport”, vindt de Bosniër Predrag Nikolic, met zijn 36 jaar een van de oudere deelnemers in de grootmeestergroep A van het Hoogovenstoernooi.
De tijden zijn veranderd in de schaakwereld. Vergeleken met enkele decennia geleden is de toog van de bar voor veel spelers al lang niet meer het vertrouwde domein na de partij en iemand als Loek van Wely brengt tegenwoordig vele uren door in het krachthonk. De marathonsessies die Nikolic in het weekeinde afwerkt tegen Yermolinski en Salov worden ook als volslagen normaal ervaren. De lange zit hoort er tegenwoordig bij.
“Toen ik tien, vijftien jaar geleden een topspeler werd”, vertelt Nikolic, “speelde ik veel remises, ongetwijfeld onder invloed van Karpov. In die tijd kwamen remise van twintig zetten nog regelmatig voor. De stelling werd even goed bekeken en als de conclusie was dat alles in evenwicht was, werden de handen geschud. Schakers zochten dus vooral naar de waarheid. Voor de latere generaties geldt die wetenschappelijke benadering niet meer. Schaken is een sport geworden. De objectieve waarheid is niet interessant. Als je wint, doet de rest er niet toe. Ik heb me het moderne schaak eigen gemaakt en hou ervan. Ik bied nog zelden een remise aan en ontvang zulke voorstellen ook bijna nooit meer. 'Wie houdt het het langst vol?', daar gaat het om.”
Toch heeft de toegenomen vechtlust ook schaduwzijden. Dat moest de Bosnische grootmeester ervaren, toen hij in Wijk aan Zee begon met twee winst- en twee verliespartijen. “Ik was blij met de remise in ronde vijf tegen Glek. Die enen en nullen ogen leuker, maar het is niet normaal. Verliezen en winnen onttrekt meer energie aan de schaker. Zie het als een dag in je leven: als er niets bijzonders gebeurt, ga je op dezelfde voet door. Zo is ook een remise iets doodgewoons. Als je daarentegen vier dagen achtereen een paar shocks oploopt, vergt dat veel van je. Zelfs een overwinning moet je verwerken, ook het omgaan met geluk is een kunst. Ik heb dat door mijn leeftijd redelijk onder controle, maar toch. . .het is heel verleidelijk te gaan denken dat je geweldig bent.”
Oegstgeest is voor Nikolic een vaste verblijfplaats geworden. Hij zat in Buenos Aires toen in 1992 de oorlog in Bosnië uitbrak en vestigde zich na het toernooi in Tilburg in Nederland. In een definitieve terugkeer heeft hij geen zin meer: “De oorlog heeft te lang geduurd. We hebben maar één leven, dat je niet al te vaak overhoop moet gooien. Na vier jaar mag ik een plek binnen deze landsgrenzen claimen. Het wordt vanaf nu pendelen tussen Sarajevo en Nederland.”
“Toen ik in Nederland aankwam, zat ik in een crisissituatie. Het verbaasde me dat mijn niveau niet instortte. Twee jaar lang heb ik me niet op het schaken kunnen concentreren. Ik volgde het nieuws en met zoiets serieus als een oorlog, kon ik me niet voorstellen dat het verschuiven van houten stukjes enige importantie had. Nu heb ik daar een andere kijk op. Ik kwam erachter dat mijn prestaties op het bord er in Sarajevo wel degelijk toe deden. Via de radio kwamen mijn uitslagen door en ze zorgden er voor blijdschap.”
“In Sarajevo speelde het schaken een immens grote rol, in het bijzonder voor de kinderen. Met al de trauma's die ze opliepen, hadden ze een vorm van activiteit nodig, een spel dat verwant was aan de oorlog. Met schaken moet je winnen, maar wel op een constructieve manier, zonder het moorden te imiteren.”
“Ik probeerde indertijd - samen met anderen - ook een toernooi in Sarajevo van de grond te krijgen. De stad lag onder vuur, er was geen voedsel en water. Een toernooi leek ons een geweldige manier om de zinnen te verzetten. Het schaakleven is ook in de moeilijkste tijden altijd doorgegaan. Vooral Bosna, de sterkste club, is heel actief gebleven omdat de speelruimte zich in een veilige zone bevond. Ik was verbaasd over de inspanningen die de mensen in Sarajevo zich getroostten om het toernooi te houden. Achteraf begrijpelijk: de mensen hadden niets anders te doen. Unprofor wilde er uiteindelijk niet aan meewerken, om de schijn van partijdigheid te vermijden.”
“Ik heb me vaak afgevraagd waarom ik de ellende in mijn land niet heb zien aankomen. Het is een verschrikkelijke conclusie, maar nu geloof ik het: voor een oorlog heb je maar één idiote leider nodig en een paar procent van de bevolking die in een sterke organisatie zitten. Ik weet nu hoe de leiders een oorlog voorbereiden. Niet door haat te wekken, maar door angst te zaaien in de eigen groep. Er ontstaat dan een sfeer van 'als wij niet aanvallen, doen zij het'. Daarnaast vind ik het een schande dat de Europese leiders en de Europese pers de uitspraken van de nationalistische leiders accepteerden. Separatisme mag niet beschouwd worden als iets van waarde in deze wereld.”
“Ik ben nu verschillende keren terug geweest in Sarajevo en heb er ook de clubs bezocht. Het ledental is overal drastisch uitgedund. Dat betekent dat de schaaktoekomst van Bosnië in de handen ligt van de kinderen.”
“Ik heb het idee dat het schaken nooit zo populair is geweest als nu. Er zijn zelfs al weer competities, individueel en in teamverband. Natuurlijk zijn er nog geen ontmoetingen tussen teams uit Sarajevo, Mostar en Banja Luka. Dat wordt een lang politiek proces van misschien wel tien jaar. Ik hoop en denk dat er bij het schaken minder haat heerst dan bij andere takken van sport. Als de contacten hersteld worden, zal het schaken volgens mij een voorhoedefunctie hebben. ”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.