*

 
dossier

Archief

beeldende kunst

ROBBERT ROOS − 30/01/97, 00:00

T/m 16 maart, De Appel, Nieuwe Spiegelstraat 10, Amsterdam, di t/m zo 12-17 uur.

Een gipsen plateau is gemonteerd op een oude projectortafel. In het gips is een desolaat landschap geboetseerd, alsof er net een atoombom is gevallen. Een gebogen blikken scherm zorgt voor de achtergrond. Een sok hangt als een surrealistische toevoeging in een houder aan de voorkant van het plateau.

Mark Manders klust al jaren aan zijn 'Zelfportret als gebouw'. Geen object of sculptuur staat op zichzelf. Ze figureren allemaal binnen het allesomvattende oeuvre-project. Soms worden afzonderlijke werken in een andere opstelling hergebruikt of op een andere manier gerangschikt, maar hun onderlinge relatie blijft altijd de kern van Manders' projectmatige aanpak. De installaties bestaan uit een combinatie van zelfgemaakte objecten en figuren, alledaagse voorwerpen en afvalmaterialen. De kunstenaar eigent zich letterlijk alles als materiaal toe. Niet als een commentaar op dat - soms banale - materiaal, maar als middel om een poƫtische ruimte te scheppen, waarin getuige de titel 'Zelfportret als gebouw' zijn psyche gedijt en zijn denkwereld gestalte krijgt.

Een uitstalling op de grond. Een kist, meubels, plakplaatjes, kroondoppen, polaroids, stukjes touw gelegd in de vorm van een 5, postzegels, plaknummers, een telefoon, een autoradio, riemen, spelletjes, een spiegel, de onderkant van een grasmaaier en nog van alles meer. Netjes geordend in rijen, een web van betekenende en onbetekenende dingen.

Als leek is het vrijwel onbegonnen werk om Manders' psychologische portret te destilleren uit de gesorteerde prullaria, klei-objecten en collage-sculpturen. Daarvoor zijn ze te associatief en ongrijpbaar. Manders dicteert zo'n lezing ook niet. Zijn exposities zijn een equivalent van de 17de en 18de eeuwse Wunderkammers, maar dan gevuld met spullen die uit onze alledaagse omgeving zijn geplukt en door de subjectieve combinaties van een extra lading zijn voorzien. Als kijker worden we uitgenodigd onze eigen fantasie erop te projecteren.

Een grote figuur van klei ligt vlak naast de ingang van de ruimte, je loopt er net niet tegenaan. Het is twee keer zo breed als een mens, maar wel even lang en heeft geen duidelijke sexe. Ernaast ligt een krant met een foto van de uitstalling van alledaagse spullen in een eerdere ruimte. Op de wand twee grote ruw-geschetse figuren, beiden een mengeling tussen een opgejaagd dier en een krijsend kind.

Voor zijn doen is Manders' tentoonstelling in De Appel ongewoon steriel en museaal. De sculpturen staan netjes opgesteld in hagelwitte kabinetten, waardoor hun persoonlijke karakter soms een beetje wordt doodgeslagen. Juist de schijnbaar achteloze manier waarmee Mark Manders in tentoonstellingen als Prix de Rome (Museum Fodor), Sonsbeek 93 (een vervallen woonhuis in Arnhem) en De 9 van Touche (Centraal Museum) zo overtuigend inbrak op de sleur van 'officiƫle' kunst, ontbreekt helaas in De Appel.

In een gangetje ligt de contour van een plattegrond, gelegd met stiften, potloden, verfpotjes, klosjes garen, een spons en pennen. Het is een lange gang, bekroond door twee cirkelvormige ruimtes, met aan de ene kant twee grote kamers en aan de andere kant een reeks kleinere kabinetten.

In De Appel blijkt weer eens dat een object in de marge bij Manders sterker is, dan het object dat gepresenteerd wordt met de pretentie en het aura van avantgardistische kunst. Het propje in de bovenzaal had precies die relativering kunnen geven. Het hoort er echter niet. De slordige bezoeker maakt daardoor onbewust het subtiele evenwicht in Manders werk pijnlijk duidelijk.

mailIcon print |