*

 
dossier

Archief

Afrikaanse renaissance op verloren continent

Jozias van Aartsen en Eveline Herfkens − 28/08/99, 00:00

In Afrika mag de ene hand niet langer werken aan achteruitgang terwijl de andere werkt aan ontwikkeling, vindt Nederland als nieuwe voorzitter van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties.

Gedreven door idealisme, gestuurd door realisme'. Onder dat motto traden wij vorig jaar aan als ministers van buitenlandse zaken en ontwikkelingssamenwerking van Paars II. Ook het Nederlands Afrika-beleid dient wat ons betreft van dit realistisch idealisme doortrokken te zijn. We trekken daarbij samen op. In een competentiestrijd van Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking hebben wij geen trek. Het Afrikaanse continent is daar ook allerminst bij gebaat.

Afro-optimisme noch Afro-pessimisme zijn aan ons besteed. Het eerste is vaak te naïef gebleken, het tweede te vaak zwartgallig. Natuurlijk ziet iedereen de beelden uit het 'verloren continent' zó voor zich. De beelden van gewapende conflicten, dertig sinds het begin van de jaren zeventig. De beelden van ineenstortende staten waar gedrogeerde kindsoldaten de dienst uitmaken. Maar iedereen ziet tegelijkertijd in dat het afwijkende, negatieve nieuws nogal eens nadruk krijgt.

Het aanvankelijke optimisme over een 'Afrikaanse renaissance' mag deuken hebben opgelopen, het laat onverlet dat er in de jaren negentig ook een hoop goed nieuws komt uit Afrika. De apartheid verdween, burgeroorlogen als in Mozambique konden worden beeindigd, in Ethiopië pakte de dictator zijn biezen, een machtig land als Nigeria zet belangrijke stappen op weg naar democratie. Een groot aantal landen introduceerde meerpartijenstelsels, meer persvrijheid, een intensievere corruptiebestrijding. Consequent doorgevoerde aanpassingen leidden in 1995-1998 tot een gemiddelde economische groei van 5 procent per jaar. Mauritius, Mozambique en Uganda kenden uitschieters zo'n 10 procent.

Dat tegen deze achtergrond duurzame ontwikkeling, veiligheid en stabiliteit de samenhangende hoofddoelen zijn van het door ons voorgestane Afrikabeleid zal niemand verbazen. Veiligheid en stabiliteit zijn voorwaarden voor een goed bestuur en beleid ten behoeve van sociaal-economische ontwikkeling, die op haar beurt veiligheid en stabiliteit bevordert. Nederlandse relaties op het gebied van politiek, ontwikkelingssamenwerking en economie moeten dan ook geïntegreerd worden ingezet om nog meer dan voorheen naar vermogen bij te dragen aan oplossingen voor armoede en conflicten in Afrika.

Het spreekt voor zich dat Nederland in Afrika niet overal met alles bezig kan zijn, laat staan op eigen houtje. Al te vaak is overschat waartoe westerse landen individueel in staat zijn, en onderschat wat ze gezamenlijk voor elkaar boksen. Bovendien beseffen Afrikaanse regeringen steeds meer dat ze uiteindelijk zelf de verantwoordelijkheid moeten nemen voor een vreedzame en duurzame ontwikkeling.

In september grijpt Nederland de kans die het voorzitterschap van de Veiligheidsraad biedt met beide handen aan. We zullen ons sterk concentreren op het probleem van de zogenoemde kleine wapens. Wereldwijd zijn naar schatting vijfhonderd miljoen van deze kleine killers in omloop, genoeg om ieder twaalfde bewoner op aarde te bewapenen. Met name in Afrika eisen ze een zware tol.

Naar analogie van de anti-mijnencampagne wil Nederland een inspirerende agenda: voor de aanpak van de illegale handel, vernietiging van overtollige wapens, ontwapening en demobilisatie van (kind)soldaten. Hier is alle reden toe: 90 procent van alle conflicten wordt uitgevochten met kleine wapens, voor 90 procent zijn burgers het slachtoffer. Binnen de VN-werkgroep voor de opbouw van een Afrikaanse capaciteit voor vredeshandhaving blijft Nederland zich actief inzetten. Ook wordt onderzocht hoe met andere landen kan worden samengewerkt voor security sector reforms, waarbij Nederland expertise aanbiedt op het gebied van veiligheidsanalyse, conflictpreventie en vredesopbouw.

We zijn doordrongen van de stabiliserende rol die landen als Zuid-Afrika en Nigeria politiek, economisch en militair-strategisch kunnen spelen op het continent. Ook van andere, minder machtige landen - Mali, Tanzania, Ghana, Mozambique - kan een matigende invloed uitgaan, hetzij omdat ze kunnen bemiddelen in conflicten, hetzij omdat ze een goed binnenlands beleid voeren (bijvoorbeeld inzake mensenrechten). Nederland zal die landen waar mogelijk steunen in een dergelijke rol.

Nederland streeft ook naar een coherenter EU-beleid met name op het terrein van de handel. Aanbeland op de drempel van een nieuwe eeuw mag het niet langer zo zijn dat in Afrika de ene hand werkt aan ontwikkeling terwijl de andere achteruitgang in de hand werkt.

Secretaris-generaal Kofi Annan van de VN roept op 50 procent van de hulpgelden in Afrika te besteden. Nederland wil daar werk van maken. In onze bilaterale relaties met Afrika komt het accent te liggen op landen die ernst maken met goed bestuur en beleid. Met name daar helpt de hulp. Ook wordt aansluiting gezocht bij Afrikaanse initiatieven voor een beter bestuur, juist omdat ze van eigen bodem komen. Mensen worden niet ontwikkeld, ze ontwikkelen zichzelf. Een versterking van de vaak zwakke institutionele capaciteit van overheden is nodig; zonder effectieve staat kan geen natie floreren. Multilateraal dringt Nederland er via een premiesysteem van vrijwillige contributies bij VN-organisaties op aan activiteiten vooral te richten op de armste Afrikaanse landen beneden de Sahara. Bovendien moet de coördinatie beter, niet alleen tussen VN-organisaties onderling maar ook tussen de VN en de Wereldbank en tussen bilaterale donoren. Nederland schuwt zelfonderzoek niet en streeft naar beslissingen en coördinatie zo dicht mogelijk bij de bron, de ambassades in Afrikaanse landen.

Veiligheid en stabiliteit en goed bestuur en beleid vormen de sleutels tot ontwikkeling. Zonder gezonde economieën blijft het echter bouwen op drijfzand. Nederland zet zich dan ook in om de handel met en de investeringen in Afrikaanse landen te bevorderen. Het multilaterale beleid moet nog meer worden gericht op de integratie van Afrikaanse landen in het wereldhandelsstelsel. Ons ijveren voor een wetswinkel in het kader van Wereldhandelsorganisatie WTO is daarvan een voorbeeld. Arme landen kunnen zo een beroep doen op rechtsbijstand die het mogelijk maakt hun gelijk te halen. Nederland is voor versterking van vormen van publiek-private samenwerking. Tegelijkertijd vraagt de betrokkenheid van het Nederlandse bedrijfsleven om een sterke maatschappelijke rol en een visie op Afrikaanse ontwikkelingsprocessen. Het is van het allergrootste belang dat Afrika hoger op onze politieke agenda's komt. Een integraal beleid waarin economie, politiek en ontwikkelingssamenwerking op een effectieve wijze met elkaar vervlochten zijn is de beste manier om aan die wens recht te doen.

Jozias van Aartsen en Eveline Herfkens zijn minister van buitenlandse zaken en minister voor ontwikkelingssamenwerking. Hun Afrika-notitie is te vinden op de Internet-site van het ministerie: www.minbuza.nl

mailIcon print |