Het enfant-terrible van arbeidsvoorziening vertrekt vandaag. Algemeen directeur Cees Pot van de arbeidsbureaus in de regio Amsterdam neemt na 43 jaar afscheid. Hij was creatief en zeer begaan met de underdog. Maar ook eigenzinnig. En daardoor kwam Pot regelmatig in aanvaring met de politiek. Nog één keer zet Pot de hakken in het zand: de registratie en controle van allochtonen bij bedrijven mag nooit bij de arbeidsbureaus komen. Cees Pot begaan met lot van allochtoon
“Het keert zich tegen ons. We kunnen niet aan de ene kant een werkgever vragen een allochtoon in dienst te nemen en aan de andere kant controleren of hij zich wel aan de wet houdt. Dat roept weerstand bij de werkgever op en daarmee krijgen we geen enkele allochtoon meer aan de slag.”
De algemeen directeur van de arbeidsbureaus in de regio Amsterdam werd de afgelopen jaren regelmatig omschreven als het enfant terrible van arbeidsvoorziening. Hij was eigenzinnig en dwars, maar altijd creatief en op zoek naar oplossingen voor de werkloosheidsproblematiek. Zo kwam uit zijn koker het idee van de banenmarkten en vacaturebanken.
Na 43 jaar bij de publieke arbeidsbemiddeling te hebben gewerkt, is Pot ervan overtuigd dat het succes van arbeidsbemiddeling vooral afhankelijk is van het vertrouwen dat werkgevers erin hebben. “En dat vertrouwen wordt met de registratie tenietgedaan”, vindt hij. Hij keert zich daarmee tegen de wens van sociale partners om de registratie van allochtone werknemers bij arbeidsbureaus neer te leggen. Nu liggen die gegevens bij de kamer van koophandel, waar niemand er iets mee doet. Laat staan dat hierdoor meer allochtonen aan het werk zijn gekomen. Maar de registratie bij arbeidbureaus werkt volgens Pot uiteindelijk averechts.
Hij voelt ook weinig voor het in ere herstellen van speciale arbeidsbemiddelaars voor allochtonen. Door de bezuinigingen bij de arbeidsbureaus zijn de meeste van deze 'bam'ers' de afgelopen jaren afgeschaft, maar nu komen ze op verzoek van de sociale partners terug.
Pot: “Als je echt iets wil doen voor allochtonen, dan moet je per sector of bedrijfstak afspreken dat je zoveel allochtonen in dienst zult nemen. Pas dan heeft een speciale allochtonen-bemiddelaar zin, want dan kan hij werkgevers op de gemaakte afspraken aanspreken.”
Het geringe aantal allochtonen op de arbeidsmarkt keert als een rode draad in het gesprek terug. Het zit Pot niet lekker dat het probleem nog steeds niet is opgelost. Hij blijft begaan met het lot van de 'underdog'. Hij wordt zelfs oprecht boos als er sprake is van discriminatie. “Soms denk ik wel eens dat het probleem alleen is op te lossen als we iedereen wit verven”.
Volgens Pot is de basis om meer allochtonen aan werk te helpen het wegwerken van vooroordelen en dat kan door een vertrouwensband met de werkgever aan te gaan. Langzaam en stukje bij beetje moet dat gaan, vindt hij. Zelf heeft hij de afgelopen jaren bij arbeidsvoorziening Amsterdam het aantal migranten opgekrikt tot 18 procent van de werknemers. Want het arbeidsbureau moet een voorbeeldfunctie hebben, zowel voor migranten als voor werkgevers, vindt hij.
“Er zijn drie soorten werkgevers. De ene wil best allochtonen in dienst nemen als je ermee komt. De tweede heeft twijfels of angsten die eerst moeten worden weggewerkt en een derde is ronduit discriminerend. Tegen die derde moet je hard optreden, de andere werkgevers moet je helpen.” Eén van die discriminerende werkgevers was een Utrechtse verzekeraar, zo herinnert Pot zich van zijn tijd als directeur van het arbeidsbureau Utrecht.
“Medewerkers constateerden dat elke keer als zij een zeer geschikte allochtoon naar de verzekeraar stuurden, hij om onduidelijke redenen werd afgewezen. Terwijl een minder gekwalificeerde witte Nederlander wel werd aangenomen. Ik heb toen in een gesprek met de directie openlijk gezegd: u discrimineert. Eerst werd het ontkend, maar uiteindelijk gaven ze het toe. En dan ben je ook een stapje verder, want dan kun je een project opzetten om allochtonen bij het bedrijf in dienst te krijgen.”
Het is vaak vechten tegen vooroordelen, vindt Pot. “De arbeidsbemiddelaars moesten jarenlang vechten tegen het idee dat alle Marokkaanse of Turkse werknemers maandenlang op vakantie gingen. Het is ooit een paar keer voorgekomen dat gastarbeiders in plaats van vier weken vakantie, pas na twee maanden terugkwamen. Maar dat verhaal heeft vervolgens twintig jaar lang alle Marokkaanse en Turkse werknemers achtervolgd. Het is een verhaal dat inspeelt op de angst van werkgevers.”
Werkgevers, constateert Pot, gedragen zich vooral risicomijdend. Alles wat anders is ontwijken ze en dat is tegelijk het probleem voor allochtonen. Want het enige wat een allochtoon onderscheidt van Nederlanders, zijn de andere gebruiken en gewoontes. “Bij de ABN Amro zeiden ze tegen me: we doen ook aan allochtonenbeleid, want we hebben bruine werknemers. Maar ik zei: dàt zijn helemaal geen allochtonen meer, want die werknemers in hun keurige pakken zijn volledig geassimileerd in de Nederlandse samenleving.”
Onbekend maakt ook onbemind. “Op een banenmarkt verklaarde een werkgever absoluut geen allochtoon in dienst te willen nemen. Ik kon discussiëren wat ik wilde, maar hij was niet van zijn mening af te brengen. Totdat er aan zijn tafel een pikzwarte sollicitant kwam. De jongen had een fantastische opleiding en het klikte meteen met de werkgever. Hij werd dus aangenomen. Maar denk nou niet, dat die werkgever zijn standpunt ten opzichte van allochtonen wijzigde. Hij zei alleen maar: dit is geen echte allochtoon. Dat geldt niet.”
Een specifiek voorkeursbeleid voor allochtonen ziet Pot echter niet zitten. Als directeur van het Utrechtse arbeidsbureau haalde hij zich in de jaren '80 zelfs de politieke woede op zijn dak. Pot verklaarde dat migrantenvrouwen collectief onbemiddelbaar waren. Pot: “Het bleek uit onderzoek dat er met die groep absoluut niets was te doen. Ze hadden een taalprobleem, een cultureel probleem en moeilijkheden thuis. Dan kun je jezelf wel voor de mal houden en elke keer zo'n vrouw achterin de kaartenbak zetten. Het is veel eerlijker om toe te geven, dat je voor deze groep weinig kunt doen. Maar dat accepteerde de politiek niet.”
In feite was dat besluit een soort voorloper voor de categorisering van werklozen, zoals hij begin jaren '90 in Amsterdam introduceerde. Ook nu werden groepen werklozen onbemiddelbaar verklaard en weer viel de landelijke politiek over hem heen.
Pot is dat wel gewend: “Dat is typisch politiek. In al die jaren bij arbeidsvoorziening zie je steeds hetzelfde terugkeren. Op een gegeven moment is de politiek het ergens niet mee eens, en is er dus een relletje. Soms volgen er maatregelen, maar er wordt zelden gecontroleerd of die maatregelen ook worden uitgevoerd. Dus gingen wij door waarmee we bezig waren, alleen zeiden we dat niet meer zo openlijk.”
Pot ziet weinig heil in de wens van de politiek dat arbeidsbureaus de hoogste prioriteit moeten geven aan de 'underdog'. Dat zijn dan vrouwen, langdurig werklozen of migranten. Hij is ervan overtuigd dat “doelgroepenbeleid alleen werkt als het een afgeleide is van de gewone taak, het bemiddelen van werklozen en het vervullen van vacatures”.
Wat dat betreft “ben ik bang dat de politiek de winst van de jaren '80 en '90 weer teniet doet. De arbeidsbureaus zijn nu professioneler, zakelijker en meer resultaatgericht geworden. Dat daarbij te weinig aan doelgroepen is gedaan, is waar. Dat mogen we ons als arbeidsvoorziening aantrekken. Wij zijn te arrogant geweest, omdat we met de rug naar de politiek toe stonden. Maar de politiek moet de zaak nu niet omdraaien. Alleen voor doelgroepen gaan werken, heeft veel te weinig effect. Ook dat heeft het verleden bewezen.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.