*

 
dossier

Archief

'Wij voorzien grote stroperigheid in de besluitvorming'

ADRI VERMAAT − 22/01/98, 00:00

ROTTERDAM - Op de voet volgt burgemeester dr. A. Peper van Rotterdam de sinds de Groningse rellen opgelaaide discussie over het functioneren van de politiewet. Hoewel van origine geen profeet, voorspelt hij dat de spraakverwarring nog wel even aanhoudt. “Maar de kern blijft dat de politiewet moet worden aangepast waar het de verantwoordelijkheid van de top betreft.”

De korpsbeheerder van de politie Rotterdam-Rijnmond vreest die discussie niet. Meer beducht is hij voor de uitkomsten, zeker nu de Groningse affaire als leidraad wordt beschouwd. Het verdriet Peper vooral dat in die hoog opgelopen kwestie alle (vermeende) fouten op één hoop worden gegooid. “De kranten moeten vol en de deskundigen lopen leeg. Ik begrijp dat wel. Maar ook denk ik dat het goed is eerst het functioneren van de driehoek in Groningen te onderzoeken om zo, via de praktijk, inzicht te krijgen in de werking van de politiewet.”

Dat de politieministers Sorgdrager en Dijkstal via een wijziging van deze uit 1993 daterende wet een veel steviger greep op de korpsen willen, is niet de oplossing, vermoedt Peper. “Centralisatie helpt niets, verandert de praktijk niet. Wanneer in een provincie als Zuid-Holland de Commissaris van de Koningin het beheer over de politie zou krijgen, betekent dit al dat zij 12 000 politiemensen moet aansturen. Dat is niet praktisch, te afstandelijk en te ingewikkeld. Centrale aansturing door de politieministers houdt in, dat die meer dan 40 000 politiemensen moeten leiden. Dat kan nooit de helderheid en praktische kanten ten goede komen.”

De meningen over een wijziging van de omstreden wet lopen, kort voordat Dijkstal en Sorgdrager de Kamer een evaluatie hierover aanbieden, breed uiteen. De ministers zelf pleiten al langer voor meer wettelijke bevoegdheden, gereedschap om hun verantwoordelijkheid voor orde en veiligheid waar te kunnen maken.

Burgemeester D'Hondt van Nijmegen, tevens voorzitter van het landelijke korpsbeheerdersberaad, de Rotterdamse korpschef Lutken en hoofdofficier van justitie Vrakking in Amsterdam, voelen daarentegen niets voor een al te ingrijpende wijziging. Zij vinden dat de ministers over voldoende wettelijke kaders beschikken om, indien nodig, in te grijpen. Wel vinden zij dat uitsluitend de minister van binnenlandse zaken voor de politie verantwoordelijk moet zijn. Dat geeft een grotere doelmatigheid.

Weer anderen noemen deze discussie volslagen zinloos. Scheidend voorzitter Kruizinga van de Algemene christelijke politiebond (ACP) vermoedt dat de politie teveel een speelbal is van partijbelangen, die de gemiddelde agent belemmeren bij zijn 'op zich prachtige werk'.

Kruizinga ziet meer heil in het aanstellen van een voor het politie-beheer verantwoordelijke, niet partijgebonden directeur. De politiek zou deze, wanneer hij faalt, meteen kunnen 'afrekenen'. De ACP-voorzitter onderbouwt dit met een verwijzing naar de situatie in Groningen, waar burgemeester Ouwerkerk (PvdA) zwaar onder vuur ligt. Zoals vorig jaar ook Peper (eveneens van PvdA-huize) ondervond, toen hij in aanvaring kwam met zijn korpschef Brinkman. Kruizinga vindt het voor de hand liggen dat op die momenten partijbelangen een rol gaan spelen. “En zelfs de schijn van verstrengeling moet worden vermeden. Daarom moet het beheer van de politie radicaal op de helling.”

Peper was de eerste bestuurder die wees op de nadelen van de huidige politiewet. Met de reorganisatie van de politie in aantocht, waarschuwde hij in juni 1990 de toenmalige minister van binnenlandse zaken voor de 'volstrekt onheldere positie' van de (regionale) korpsbeheerder, waar deze 'gebonden is aan de hoofdofficier van justitie als medebeheerder én aan het regionaal college van burgemeesters'.

Een half jaar later schreef Peper een brief aan de vaste Kamercommissie voor de politie. Onomwonden gaf hij aan het oneens te zijn met de wijze waarop het kabinet het 'beheer' over de nieuwe politie wilde regelen. “Dat beheer komt in handen van maar liefst vijf instanties: de korpsbeheerder, de hoofdofficier van justitie, het regionale college, de burgemeester aan wie bevoegdheden zijn overgelaten (...) en last but not least, de korpschef. Daarbij komt nog, dat de 'afpaling' van beheersbevoegdheden tussen deze instanties onhelder is.” Die constructie zou, aldus Peper en de overige regioburgemeesters, 'afbreuk' doen aan het gewenste slagvaardige beheer van het politiekorps.

Peper schreef in dezelfde periode dat de 'pregnante' rol, die in het nieuwe politiebestel voor de hoofdofficier van justitie was weggelegd, beter van tafel kon. De officier als mede-beheerder van een korps, Peper vindt dat onhelder en ongewenst. “Justitie plukt, simpel gezegd, uit het korps”, meent hij. “De afstemming gaat over inzet van politiemensen. Het zijn er teveel of niet. De politie wordt niet bestuurd door de driehoek van burgemeester, hoofdofficier en korpschef. Dat is een afstemmingsoverleg. Het is zeer de vraag of zo'n afweging anders, beter, verloopt bij een centrale aansturing.”

De grondige analyses van Peper bereikten kabinet en Kamer, maar werden voornamelijk voor kennisgeving aangenomen. De burgemeester bleef bij zijn kritiek. Vorig jaar nog, uitgerekend de dag waarop de Rijnmondburgemeesters het vertrouwen opzegden in korpschef Brinkman, reageerde hij op de toen naderende, eerste evaluatie van de politiewet in de Tweede Kamer. Zijn kritiek betrof onder meer het voornemen van Dijkstal en Sorgdrager de wet uit te breiden met een afstemmings- en verantwoordingsoverleg.

Peper, mede namens de overige Rijnmondburgemeesters, destijds: 'In concrete betekent dit dat het beleidsplan wordt opgesteld na 'afstemming' met de ministers en 'in overeenstemming' met de hoofdofficier van justitie. De politiewet bevat nu al termen als 'toezien', 'tussenkomst', 'na overleg', 'in overeenstemming', 'op voorstel van', 'gehoord', 'op voordracht van', 'ter kennis brengen', 'vaststellen', 'instemmen', 'tot overeenstemming komen', 'zeggenschap', enz. enz.. Daar komt dus nu een afstemming en verantwoording bij. Wij voorzien een stroperigheid in de besluitvorming.'.

Peper verwees ook naar een brief van 23 juni 1992, waarin hij de vaste Kamercommissies voor de politie schreef: 'De verplichte overleg- en instemmingsstructuren waarmee de korpsbeheerder zich geconfronteerd ziet, beperken hem bij zijn taak het regionaal politiekorps doelmatig en effectief te beheren'.

Verdere uitbreiding van deze structuren beschouwt Peper vijf jaar nadien dan ook als 'diffuus en discutabel'. Hij voorziet 'verdergaande verkruimeling en vergroezeling van verantwoordelijkheden', verdere 'bureaucratisering'.

Vragen heeft Peper in zijn brief van 5 juli 1997 volop. Uitgaande van een centrale sturing stelt hij: 'Wat gebeurt er wanneer de minister het beleidsplan niet goedkeurt? Wordt het korps dan de vereiste middelen onthouden? Waar besteedt de politie dan aandacht aan? Hoe komt men uit deze vacuümsituatie? Dreigt niet het gevaar van een verdere verzelfstandiging van de politie? Bij de geschillenregeling gaat de Politiewet ervan uit dat een bezwaar van een burgemeester of een gemeenteraad tegen het vastgestelde beleidsplan geen schorsende werking heeft. Hoe pakt dat uit met het uitblijven van de goedkeuring (...)?'

Een eveneens jarenlange bron van zorg voor de Rotterdamse korpsbeheerder is het 'democratisch gat' in de politiewet. Dat komt erop neer dat controle op het beheer ontbreekt, danwel te kort schiet. Peper wees daar in zijn correspondentie met Kamer en politieministers herhaaldelijk op.

Pikant genoeg wees juist de affaire-Brinkman uit, waartoe dit 'gat' in de praktijk leidt. Zo was de korpsbeheerder Peper formeel geen verantwoording verschuldigd aan de gemeenteraad, terwijl minister Dijkstal stelde dat hij, volgens de politiewet al evenmin potten kon breken. Peper nu: “De top moet worden geregeld. De lijnen moeten korter.”

mailIcon print |