Kemal Pasja Atatürk stampte een ideologie van Turkse nationale eenheid in de hoofden van de mensen. Maar Turkije is een mozaïek van vele verschillende steentjes, met verschillende, soms tegenstrijdige motieven. Een mozaïek van soennitische Turken, Koerden, alevieten, Assyriërs, Arabieren, Armeniërs. Datzelfde beeld geldt voor de bijna 300 000 Turken die in Nederland wonen. Een zoektocht naar Türk en Türkiyeli, rechts en links en pro- en contra-PKK.
Na wat heen en weer geroep vertelt hij wat hem echt dwars zit. “Wij hebben als Turken eindelijk eens onze mond opengedaan. Meneer, ik wil erbij horen! Ik woon hier vijftien jaar, ik betaal tachtigduizend gulden belasting. Nooit heb ik een beroep gedaan op welke sociale wet dan ook. Ik ben geen gastarbeider en geen illegaal. Maar ik hoor er in Nederland niet bij! Als je als zakenman keihard hebt gewerkt en in het weekeinde komt de PKK langs want die eist duizend gulden van je, wie schrijft dàt dan in de krant? Het kan niemand wat schelen en dan heb je ineens zo'n Koerdisch parlement.”
“Het is niet mijn schuld als een Palestijnse aanhanger van Hamas twintig Israëliërs vermoordt met een bom in Tel Aviv. Maar hier denken ze dat ik dat prachtig vind. Ik ben ruimhartig, ga wel eens met Nederlandse vrienden naar de kerk. Dan leg ik uit hoe het zit met de islam. Eerste vraag: bent u fundamentalist? Ik word daar zo ziek van en het wordt al erger en dat komt door jullie, de media. Ik wil erbij horen! Maar dan probeer ik lid te worden van de tennisclub. Is er een wachtlijst. Dat kan, maar als ik na drie jaar nog op die lijst sta en hetzelfde overkomt me bij de volleybalclub, weet ik het ook niet meer. Onlangs ging mijn relatie met mijn Nederlandse vriendin kapot. Nooit heeft iemand van haar familie en vrienden ons willen opzoeken.”
“Het is jullie eigen schuld. Het slaat toch nergens op dat illegalen zo hun gang kunnen gaan? Jullie laten de zaken op hun beloop, en als het dan misgaat kijken jullie mensen als mij erop aan. Ik ga geloof ik maar opnieuw emigreren, naar Turkije terug kan ik niet. Elders in Europa is het ook niks, het zal wel Amerika moeten worden.”
Het protest komt niet altijd in zo'n woordenvloed. In een Turks café in Den Haag wil de zoon van de eigenaar nog wel wat zeggen over wat er volgens hem leeft binnen de Turkse gemeenschap. Maar zijn vader keert zich stuurs af, pet over het voorhoofd, zwijgt. “Hij is een aardige man hoor,” verdedigt zijn zoon hem.
Stap een Turks café binnen en je moet maar afwachten wat je te horen krijgt. Kenners zien soms aan symbolen of namen op het raam welk politiek vlees ze in de kuip hebben. Het varieert van uiterst links tot rechts en alles daartussen. A-politieke Turken lijken zeldzaam. Het is bijna verbijsterend als je een cafépubliek doodernstig naar de actualiteiten van de Turkse zender TRT ziet kijken, terwijl een reeks andere netten een Europacup-wedstrijd van Ajax uitzendt.
In dit café zijn ze Koerd, zeggen ze, maar tegenstanders van de guerrilla-organisatie PKK, die in het oosten van Turkije vecht met het Turkse leger. “Die Koerdische dorpsjongens zijn zo dom,” zegt de zoon. De PKK speldt ze de stomste dingen op de mouw. Bijvoorbeeld dat ze piloot zullen worden. Ze moeten dan wel eerst mee de bergen in, want daar staat zogenaamd het vliegtuig. En dan komt zo'n jongen vol verwachting op de top aan en daar ziet hij een ezel. Dat is je vliegtuig, zeggen ze, en waag het niet bij ons weg te lopen, want dan schieten we je dood.” Een oom reageert serieuzer. “Ik heb zelf de terreur van de PKK gezien, met mijn ogen,” zegt hij. “Waar ik bang voor ben is dat wij hier, als Koerden en Turken, elkaar in de haren vliegen. Als dat gebeurt, is het met jullie tolerantie ook gauw voorbij. En dan moeten we allemaal terug naar Turkije en mogen we daar verder vechten. Ik voel daar weinig voor.”
Turkije is een mozaïek, dat geldt ook voor de Turkse gemeenschap in Nederland. Maar het is onduidelijk welke tekening uit de kleine steentjes naar voren komt, het is alsof verschillende kunstenaars bezig zijn geweest, tegen elkaar in. Er zijn ook heel andere geluiden te horen dan die van de teleurgestelde zakenman en de caféhouderszoon. De verdeeldheid komt soms naar voren in taalgebruik. Türk kan zowel Turk als Turks betekenen, maar linkse Turken gebruiken soms bewust een ander woord, Türkiyeli, dat zoiets is als 'Turkijs', of 'Turkijenaar'. Na de eerste wereldoorlog stortte het oude, Osmaanse sultansrijk dat behalve Turkije ook grote delen van de Balkan en de Arabische wereld omvatte, ineen. Kemal Pasja Atatürk redde het huidige Turkije uit de klauwen van het Europese kolonialisme. Hij stampte een ideologie van Turkse nationale eenheid in de hoofden van de mensen. Iedereen was Turk en daarmee basta.
Maar niet iedereen is het daarmee eens. Turkije kent minderheden die een andere moedertaal dan Turks spreken, zoals Koerden, Arabieren, de Laz, de Zaza, of die een andere godsdienst aanhangen dan de orthodoxe, soennitische islam, zoals een handjevol Assyrische en Armeense christenen, of de veel talrijker alevieten (moslims met sterke afwijkingen van de officiële leer). Al die groepen zijn ook terug te vinden in de Turkse gemeenschap in Nederland. Mensen die ze niet over één kam willen scheren, de gevarieerdheid benadrukken, gebruiken het woord Türkiyeli.
Vroeger noemden vooral Koerden en linkse Turken zich Türkiyeli. De laatste tijd noemen Koerden zich liever Koerd, maar nu is er aan de rechterkant een groep die steeds meer het woord Türkiyeli gebruikt, islamitische fundamentalisten. Zij hebben aanhang onder zowel Turken als Koerden en willen die laatsten niet afstoten met het woord Türk. Ook vinden ze de godsdienst belangrijker dan de natie.
Orhan is rechts. Hij wil zijn echte naam niet in de krant en ook niet die van zijn organisatie. Dat heeft te maken met de schietpartij in een Haags café aan de vooravond van de demonstratie, tussen voor- en tegenstanders. Maar de symbolen in zijn clubhuis in het oosten van het land laten geen twijfel bestaan over de vraag welke richting hij is toegedaan. Aan de muur hangen rode vlaggen met drie witte halve manen, de vlag van de rechtse nationalistische MHP-partij. “Maar iedereen komt hier,” zegt hij. “Ook Nederlanders, Koerden en linkse Turken.” Hij laat een beduimeld boek zien, dat de linkse Turkse arbeidersbeweging in Nederland (HITB) in 1979 uitbracht over de MHP en de jeugdorganisatie van de Grijze Wolven. “Ik haal dit boek wel eens uit de kast als hier mensen van HITB zitten. Dan gaan we samen lachen over de dingen die ze over ons hebben geschreven.”
Hij geeft toe dat de Grijze Wolven in de jaren zeventig ontzettende dingen hebben gedaan, ontkent ook niet alles wat HITB daarover schreef, maar zegt dat ook de andere kant, links, niet uit doetjes bestond. “Er zijn toen achtduizend mensen door geweld omgekomen, van links en van rechts. Daarom is het zo stom dat Nederland die vergadering van het Koerdische parlement toeliet. Het is een angst die je moet voelen om hem te kunnen begrijpen. Wij willen die sfeer niet terug, zoals wij die eind jaren zeventig hebben meegemaakt in Turkije. Dat je de deur uitging en niet wist of je levend terugkwam. Wij wensen dat ook jullie niet toe.”
In zijn clubhuis vangt hij Turkse jongeren op, uit huis getrapt, bijvoorbeeld omdat ze lang haar hebben, in kapotte spijkerbroeken lopen en ringetjes door de oren hebben. “Nederlandse hulpverleners begrijpen die jongeren niet. Bij meisjes vragen ze meteen of hun ouders hun willen uithuwelijken en aan jongens vragen ze of vader fundamentalist is. Wij zeggen hen dat mensen in de tijd van de profeet ook lang haar hadden. En we vertellen over hun Turkse achtergrond, zodat ze begrijpen wat het betekent als mensen hen behandelen als 'maar een Turk.” Volgens hem is de tegenstelling tussen links en rechts onder Turken verminderd, hij noemt twee oorzaken. “Linkse mensen geloven niet meer in het paradijs op aarde, zijn teleurgesteld over de vele opofferingen, waarmee ze soms hun leven hebben verruïneerd.” En verder is er volgens hem het gemeenschappelijke gevaar van de PKK, dat links en rechts naar elkaar toe drijft.
Steeds meer mensen in Turkije maken volgens hem het wolfsteken: pink en wijsvinger omhoog, ring- en middenvinger op de onderkant van de duim gedrukt zodat de spitse snuit van een wolf ontstaat. Ze doen het wel vaak fout, klaagt hij, zodat de spitse snuit er niet uitkomt en het lijkt of het beest tegen een muur is gebotst. Het zou verwijzen naar de mythe van een wolvin die de Turken de weg wees op hun lange trektocht van Centraal-Azië naar hun huidige woongebied. Orhan: “Linkse mensen zeggen nu tegen ons: 'stom dat wij in de jaren zeventig dat oude Turkse symbool niet hebben gebruikt'. Wij hielden ons bezig met de Turken in Centraal-Azië, zeiden dat de Sovjet-Unie die onderdrukte. Volgens links kon dat niet. Daarom noemden ze ons fascisten.”
Orhan reageerde in december boos op een kaart van de provincie Tunceli, die Trouw afdrukte op de voorpagina, met alle dorpen die het Turkse leger daar had verbrand en ontruimd. Hij geeft nu toe dat die kaart wel klopte. Maar de ontruimingen van Koerdische dorpen zijn volgens hem nodig om de PKK te verslaan. Gaat Turkije echt kapot als er een Koerdische staat komt? Er blijft dan toch nog een enorm land over?
Orhan: “Wij zijn een verbazingwekkend gehoorzaam volk. In de jaren twintig dwong Atatürk ons Europese hoeden te dragen. Ook mochten we onze taal niet langer schrijven in Arabische letters, we moesten het latijnse alfabet overnemen. Stel je voor dat koningin Beatrix zegt: Japan is het land van de vooruitgang. Daarom schrijven we voortaan Nederlands met Japanse tekens. Jullie zouden in opstand komen, wij niet hoor! Er staat tegenover die gehoorzaamheid één ding waaraan je niet mag komen: ons land. We zullen nooit een vierkante milimeter afstaan. Nee, Indonesië, dat was anders. Jullie, pardon, hadden daar niets te zoeken. Maar hoe kun je Turkije zeggen dat het moet verdwijnen uit Oost-Turkije? Als Turkije failliet gaat door de oorlog zullen we het leger nog meer steunen. Europa zal dan moeten kiezen. Wij hebben al gekozen: uitroeiing van de PKK.” Over de recente problemen met de alevieten zegt hij: “Het is het oude liedje. Buitenlandse machten hebben altijd gestookt in Turkije. Eerst deden ze dat bij de Grieken en Armeniërs, daarna de Koerden en nu lijken de alevieten aan de beurt. Jullie noemen alevieten gematigd, maar ben ik niet gematigd omdat ik wel vijfmaal per dag bid en zij niet?”
“Misschien is de tegenstelling tussen links en rechts inderdaad afgenomen,” zegt een alevitische verpleegster. “Maar gerust ben ik er niet op. Willen zij alevieten accepteren zoals we zijn? Of gaan ze ons toch dwingen hoofddoeken te dragen, als ze aan de macht zijn?” Met 'zij' bedoelt ze de MHP-mensen. Hoëgörü, tolerantie, mensen nemen zoals ze zijn, dat is voor haar de kern van het alevitische geloof. “Als een soennitische vrouw met een alevitische man trouwt, zal niemand haar dwingen om alevitisch te worden. Maar omgekeerd is dat anders.” Heel belangrijk vindt ze ook de gelijkheid tussen man en vrouw, één van de beginselen van de alevieten. Over de discriminatie door de tennisclub heeft ze twijfels. “Misschien is die man wel te oud. Bij een sportclub gaan jongeren voor.”
Ze gelooft wel dat er discriminatie van Turken bestaat. “Als ik dezelfde diploma's heb, verlies ik zeker van een Nederlandse sollicitant. Maar als ik meer diploma's heb, krijg ik de baan even zeker wel.” Echte discriminatie heb je volgens haar in Turkije. “Probeer als aleviet een baan bij de politie te krijgen. Onmogelijk, je hebt er alleen maar MHP-mensen.”
Na de beroeringen afgelopen februari in de Istanbulse buitenwijk Gazi Mahallesi heeft de alevitische islam meer bekendheid gekregen. Onbekenden schoten vanuit een auto op vier cafés, die propvol zaten met mensen die naar een sportuitzending keken. Bijna allemaal alevieten, maar het is onduidelijk of ze daarom de volle laag kregen, of omdat ze links waren. In de wijk zelf leefde de overtuiging dat de MHP en de politie de aanslag op touw hadden gezet, om links te intimideren.
Het gevaar komt niet alleen van die kant. In het alevitische cultuurcentrum in Rotterdam hangen foto's van de 37 slachtoffers van een eerdere moordpartij, in de zomer van 1993 in Sivaé. Linkse mensen, alevieten en ook soennieten, herdachten daar de middeleeuwse alevitische denker Pir Sultan Abdal. Een woedende menigte stak hun hotel in brand. De menigte in Sivaé bestond vooral uit aanhangers van de fundamentalistische Refahpartij. Bij een pogrom in 1979 in Kahraman Maraé, waarbij honderd alevieten omkwamen, hadden Grijze Wolven de leiding.
Een alevitische kapster klaagt dat ze haar zoon Lenin had willen noemen, naar de stichter van de Sovjet-Unie. Het mocht niet, want Lenin kwam niet voor op een lijst van Turkse namen die het Turkse consulaat aan de burgerlijke stand had gestuurd. Het is opvallend hoeveel alevieten er soms uiterst linkse denkbeelden op nahouden. Er zijn zelfs aanhangers bij van de afgezette Albanese communistische leider Enver Hodja.
De held van de alevieten is Ali, de schoonzoon van de profeet Mohammed. Ali, zo leren zij, stond altijd aan de kant van de armen. De herkomst van het alevitische geloof is niet helemaal duidelijk. Waarschijnlijk heeft het verschillende wortels, waarvan sommige teruggaan tot voor de islam. In de eerste eeuwen van de islam ontstonden er, vooral in Iran, heterodoxe stromingen die twee kenmerkende overeenkomsten hadden: sociaal waren ze communistisch en hun leer bevatte veel elementen uit andere godsdiensten dan de islam.
Het gevoelscommunisme lijkt gemeengoed onder alevieten, ook bij mensen die niet zijn aangesloten bij linkse politieke groeperingen. Er is wel een spanning. De linkse groep Dev Sol, die bij de strijd tussen links en rechts in de jaren zeventig een belangrijke rol speelde, en ook andere uiterst linkse organisaties, betrekken veel aanhang uit de alevitische gemeenschap. Ze bezien met argusogen de opkomst van alevitische verenigingen, sinds ongeveer vijf jaar, die meer de nadruk leggen op het geestelijke erfgoed. Een aanhanger van Dev Sol wijst op een afbeelding van Haci Bektaéi Veli, één van de grondleggers van het alevitische geloof. Hij draagt in zijn armen een leeuw en een lam.
“Dat ziet er wel mooi uit,” zegt hij. “Maar wij weten uit ervaring dat de wereld zo niet is.” De filosofie van de alevieten dat je, als je een klap krijgt op je ene wang je de andere moet toekeren, is ook niet die van Dev Sol. Een fabrieksarbeider vertelt dat Dev Sol wel eens op bezoek komt in het gemeenschapshuis. “Maar ze doen koud tegen ons. Ze hebben het geloof afgezworen. Ik heb jarenlang me ingezet voor linkse gro0epen. Maar ze gaven me voedsel dat mijn honger niet stilde, hoeveel ik er ook van at.” Eén overeenkomst hebben de alevieten en Dev Sol nog steeds, de liefde voor muziek. Bij alevieten is het snaarinstrument saz belangrijk. Dev Sol draagt zijn ideeën uit met de bedwelmend mooie muziek van de groep Yorum. Net als van de PKK zijn ook leden van Dev Sol veroordeeld wegens afpersing van middenstanders.
Vorige maand bekogelden linkse studenten in de Turkse hoofdstad Ankara de voormalige Sovjetleider Michael Gorbatsjov. Ze namen hem kwalijk dat hij de Sovjet-Unie te gronde had gericht. Gorbatsjov schijnt stomverbaasd te hebben uitgeroepen: “Alles bestaat hier nog!” Maar Turks links is ouder en zit dieper dan Marx of Lenin. De ontwikkelingen na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie geven hun gelijk, zo vinden vele linkse Turken. “De hele Turkse Zwarte Zeekust zit nu vol met Russische hoeren,” vat een student de toestand samen. “Natasja's noemen we ze. Denk niet dat ze vroeger ook prostituée waren, nee, je hebt er artsen en ingenieurs onder. Acht dollar per nacht. Vroeger zeiden ze dat de Sovjet-Unie zo gevaarlijk was. Maar heeft er toen ooit een Rus gezegd dat ze Turkije moesten vernietigen? Nu zegt Zjirinovski dat wel.” De student is links, maar relativeert dat zelf, bijna zoals Gorbatsjov: “Turkije, dat is nostalgie.”
Elk volk bestaat voor het grootste deel uit stomkoppen, vindt hij. Dat geldt evengoed voor Nederlanders als Turken. Hij laat de krant Milliyet zien, waar een verslag in staat van de opening van een fundamentalistische moskee in Uden. De burgemeester was aanwezig bij die heuglijke gebeurtenis. “Weet die man wel wat hij in huis heeft gehaald?,” vraagt de student. Volgens Milliyet waren talrijke kopstukken van de fundamentalistische Refahpartij overgekomen uit Turkije. Ze zeiden dat Nederland hen nog beter had onthaald dan het Koerdische parlement.
“En niemand krijgt Turkije kapot, hoe jullie ook je best doet,” zegt hij plotseling. Veel reden om daar blij om te zijn zou hij op het eerste gezicht niet moeten hebben, want hij komt uit de geteisterde provincie Tunceli, waar het Turkse leger sinds augustus vreselijk huishoudt. Maar ook alevieten kunnen soms op vreemde vreemde momenten opeens een Turks nationalistische oprisping krijgen. “Onze grote mensen schreven in het echte Turks van het volk,” zegt hij. “Niet in de Osmanlitaal. Wij zijn de echte Turken. Veel soennitische moslims zijn van oorsprong Albanezen en andere Balkanbewoners, geen Turken dus.” Daarna krijgt hij ruzie met een Koerd over de vraag of in zijn door alevitische Zaza's bewoonde geboorteprovincie Tunceli de PKK met het Turkse leger vecht, of eigen, inheemse linkse guerrillagroepjes.
De meningen over het Koerdische parlement lopen bij alevieten uiteen. Sommigen vinden het prima, anderen vinden, net als Turkse nationalisten, dat de eenheid van Turkije boven alles gaat. In alevitische gemeenschapshuizen prijkt aan de muren ook vaak Kemal Pasja Atatürk, de grondlegger van het Turkse nationalisme, met zijn uitspraak: hoe gelukkig is wie zich Turk kan noemen. Maar hoeveel van de hier bijna 300 000 wonende Turken zullen hem dat nog nazeggen? Üzeyir Kabaktepe hecht veel meer waarde aan zijn geloof, de islam, dan aan het behoud van de Turkse cultuur. Kabaktepe, bijna-dertiger, is een zogeheten tweede generatie-jongere die het maatschappelijk aardig heeft gered. Hij drijft een eigen reisbureau en is voorzitter van de Aya Sofia-moskee in de Amsterdamse deelgemeente De Baarsjes. De Aya Sofia-moskee voert al jaren strijd met de deelraad om de invulling van het grootschalige moskee-complex. Het moet het veelvuldig contact met welzijnsambtenaren zijn geweest, waardoor het taalgebruik van Kabaktepe - in een snel pak gestoken, de zaktelefoon voortdurend onder handbereik - is doorspekt met termen als 'stukje betrokkenheid' en 'zelfredzaamheid'.
Desalniettemin heeft Kabaktepe een duidelijke boodschap: Turkse moslims moeten zich hechten aan Nederland, het land dat hun een toekomst biedt. En het is niet de cultuur die hen verbindt, alswel hetzelfde geloof. In die optiek zijn Surinamers en Marokkanen ook broeders en zusters. Het geloof als bindmiddel. Kabaktepe: “Met mijn Nederlandse vrienden praat ik nooit over de Turkse cultuur. Wel wat het betekent om moslim in Nederland te zijn.”
De Aya Sofia-moskee behoort tot de Milli Görüü-beweging ('Nationale Visie'), een belangrijke stroming binnen de Turks-islamitische gemeenschap. Ze zijn streng in de leer en nauw gelieerd aan de fundamentalistische Refah-partij, die vorig jaar bij plaatselijke verkiezingen grote successen boekte in Turkije en het burgemeesterschap veroverde in Istanbul en Ankara. Milli Görüü beheert in Nederland ongeveer twintig moskeeën. Veruit de grootste organisatie van Turkse moskeeën is de aan de Turkse overheid gelieerde Islamitische Stichting Nederland (Diyanet), die 140 gebedshuizen in stand houdt.
Milli Görüü meent dat het machtige Osmaanse rijk te gronde is gegaan aan de invloed van het materialistische westen en wil de 'eigen' morele en geestelijke waarden weer opfrissen. Jonge aanhangers in Nederland stellen zich gematigder op en zijn minder gericht op Turkije, vanuit het besef dat de tweede generatie hier blijft en haar eigen positie moet verwerven.
Ze werken vaak soepeler samen met niet-Turkse islamitische organisaties dan met Diyanet-organisaties. Opererend onder de vlag van de Nederlandse Islamitische Federatie (NIF), waren zij de eersten die hier islamitische basisscholen oprichtten. Islamitisch onderwijs, meent Kabaktepe, is eerder een voorwaarde dan een belemmering voor integratie. En dat hier geboren kinderen thuis Turks spreken, vindt Kabaktepe een natuurlijk gegeven waar niks mis mee is. Nederlands leren ze wel op school. Maar dat Turkse kinderen het idee hebben dat Nederlandse kinderen héél anders zijn, dat ze er toch nooit bij zullen horen en zich daarom afzonderen, noemt Kabaktepe een slechte zaak.
Turkse ouders zijn de boosdoeners, stelt Kabaktepe onomwonden vast, want die hameren er bij hun kinderen al jong in dat de Nederlanders nu eenmaal heel anders zijn. “Ze zeggen: 'Nederlanders en Turken zijn twee blokken ijs. Als ze de zon zien, dan smelten ze. Die komen nooit bij elkaar'. Terwijl,” briest Kabaktepe, “Turkije zelf zo'n verscheidenheid aan volkeren herbergt. We hebben Koerden, Armeniërs, Bulgaren, noem maar op. Er is vlakbij Istanbul zelfs een bijna Poolse stad verrezen. We verstaan elkaar soms niet eens! En dan komen we hier in Nederland, we wonen in dezelfde portiek en we zouden niet met de Nederlanders kunnen leven?”
Strak en hiërarchisch georganiseerd als ze is, draagt de Milli Görüs-beweging de integratie-boodschap uit via de twintig moskeeën, de vrouwenorganisaties en jongerenverenigingen. Veel aandacht is er voor de derde generatie jongeren, zo tussen de 18 en 25 jaar. Kabaktepe: “Dat is ontzettend nodig. Crimineeltjes zitten er tussen, die te vroeg van school zijn gegaan. Vier jaar geleden voelden ze zich nog nutteloos. Hun ouders werden zonder werk aan de kant gezet en zij dachten: 'Wat voor zin heeft het hier voor ons dan nog?' Naar de moskee kwamen ze niet, want dat was een dichte kubus. Veel Turkse jongeren zijn ook niet gewend hun eigen gang te gaan Uit respect voor de ouderen, of omdat ze te verlegen zijn.”
Kabaktepe kent de geluiden uit die hoek, waar gemor klinkt omdat veel jonge Turken maar niet aan de bak komen, terwijl ze dezelfde opleiding hebben gevolgd als hun autochtone leeftijdsgenoten. “Het is waar. Dan solliciteren ze bij de PTT en horen ze dat er op hun niveau geen functie is, maar dat ze wel postbode kunnen worden. Toch moet je je daar niet bij neerleggen. En ik ben het niet eens met jongeren die zeggen: 'Als ik als Turk behandeld wordt, dan gedraag ik me ik ook als Turk'. Dan ben je net zo racistisch bezig.”
Bij Aya Sofia hebben de jongeren sinds enkele jaren eigen ruimtes, waar vrijere gedragsregels gelden en waar ze sporten, computerlessen volgen of een voorlichtingsbijeenkomst over aids bijwonen. En het werkt, die aanpak, constateert Kabaktepe niet zonder trots: de jongerenclubs bloeien als nooit tevoren - De Baarsjes telt 240 leden - en trekken in Bos en Lommer ook veel Marokkaanse jongeren naar zich toe.
De invloed van jongeren binnen de moskeebesturen en islamitische organisaties is groeiende, constateert Coëkun Cörüz, actief binnen het CDA en Pax Christi en werkzaam bij het Amsterdams Centrum Buitenlanders. Maar jongeren zoeken ook andere wegen om zich te organiseren: “Ze hebben geen zin in de strubbelingen, zoals die lange tijd in islamitische organisaties speelden. Ze pakken het heel anders aan dan de eerste generatie.”
Fundamenteel verschil is dat jongeren veel minder bezig zijn met hun Turkse afkomst, meent Cörüz. Waar ouderen zeggen: 'Ik ben Turk en moslim', komen jongeren met: 'Ik ben moslim en Turk'. Hij noemt het voorbeeld van de vereniging (in oprichting) van moslimstudenten: “Die loopt dwars door alle nationaliteiten heen. Er is één bindend element: hun religieuze gevoel.”
Moslimjongeren zijn volgens hem ook veel kritischer met religie bezig. “De eerste generatie gaat op een meer huiselijke manier met de islam om. Mannen bidden vijf keer per dag omdat hun vaders dat deden, vrouwen dragen een hoofddoek omdat ze dat van hun moeders afzagen. Moslimmeisjes weten je precies uit te leggen waarom ze een hoofddoekje dragen.”
Opvallend is trouwens het grote aantal Turkse meisjes en jonge vrouwen dat actief is in de vele culturele verenigingen, literaire clubs en andere jongerengroepen. Cörüz: “Ze zijn hier opgegroeid, spreken de taal, zijn goed gebekt en weten waar ze voor staan. Het zijn de voortrekkers, maar omdat ze zich zo actief opstellen, emancipeert hun omgeving ook mee.”
Fadime ürgü (26) is een jonge Turkse die heel goed weet waar ze mee bezig is. Ze zit sinds 1990 in het bestuur van CEMYC (Counsil of Europe Minority Youth Committees), een Europese belangenorganisatie van migrantenjongeren. Ze studeerde Engels en Duits, geeft les aan Turkse vrouwen en werkt als journaliste bij de Nederlandse Moslim Omroep.
Op haar vijftiende richtte ze in haar woonplaats Vlaardingen een eigen 'internationale' meidengroep op. Onder het motto 'Een slimme meid is op haar toekomst voorbereid', formeerde ze een bont gezelschap van Turkse, Palestijnse, Marokkaanse en Nederlandse meisjes.
Haar generatie, legt ürgü uit, is het 'produkt van de nieuwe Europeaan'. “Wij denken niet meer in nationaliteiten.” De tweede generatie migrantenjongeren spreken de taal van het land waar ze opgroeien en zoeken hun eigen identiteit. Niet door te integreren, legt ürgü uit. “Die fase hebben we achter ons gelaten.” Liever gebruikt zij het woord intercreatie. “Dat betekent dat je de positieve aspecten van twee culturen bijelkaar brengt en ieder individu dat voor zichzelf bepaalt.”
Cörüz: “Jongeren zoeken naar een balans tussen de traditionele verwachtingspatronen uit de moslimcultuur en bepaalde westerse waarden. Zo geef ik een westerse uitleg aan islamitische waarden. Vanuit mijn islamitische opvoeding heb ik solidariteit als een groot goed meegekregen. Dat geef ik hier door, door hulp te verlenen aan de Turkse gemeenschap. Het zwaard van Damocles - ooit gaan we terug naar Turkije - is weg. Wij hebben besloten: we blijven hier.”
Het wordt hoog tijd, vindt ürgü, dat de Nederlandse samenleving dat gegeven accepteert. Intercreatie is ook voor autochtonen van belang, is haar overtuiging. “Het gaat om de wederzijdse uitwisseling van culturen, en niet het eenrichtingsverkeer zoals bij integratie het geval is.” Vooral het onderwijssysteem is aan een cultuuromslag toe. ürgü: “Ad hoc gebeurt er wel eens iets op gebied van intercultureel onderwijs, maar dat hangt erg af van individuele leerkrachten. Wil je echt iets veranderen, dan moet je onmiddellijk de schoolboeken aanpassen.”
Migrantenjongeren zoeken met vallen en opstaan hun eigen weg. Genoeg obstakels onderweg, weet ürgü uit eigen ervaring. “Bij de traditionele Turkse organisaties kwam je er moeilijk tussen, en in de Nederlandse samenleving liep je aan tegen een schoolleiding die keihard discrimineerde. In mijn tijd vonden ze het op school prachtig als buitenlandse kinderen Engels spraken. Maar o wee als je Turks sprak.”
Veel Nederlanders zijn arrogant en vinden zichzelf de beste, zegt ürgü: “Een houding van: 'Mohammed moet integreren, Jan helpt hem wel'. Het is waar, de eerste generatie had misschien beter moeten integreren. Maar wij? Wat moeten wij nog meer doen? Ik spreek de taal, ik heb werk, ik zal mijn kinderen hier opvoeden, waarschijnlijk word ik hier begraven. Wat moet ik nog meer doen?”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.