*

 
dossier

Archief

Het probleem zit 'm al in die 'F'

PIETER VAN DER VEN − 09/11/96, 00:00

Een vrouwelijke theologe heeft plechtig beloofd nooit meer een boek van een mannelijke auteur aan te schaffen. Zij besteedt haar boekenbudget al jaren uitsluitend aan vrouwelijke auteurs. Mannenboeken die zij voor studie of anderszins nodig heeft leent ze. Overdreven sekse-solidariteit? Welbewuste discriminatie? Nee, een klein tegenwicht voor die grote meerderheid van theologen die zelfs niet op het idee komen een boek, artikel van vakzusters in te zien, laat staan aan te schaffen.

Van de alfa-wetenschappen is theologie het langst een solide mannenbolwerk geweest. Nog wel. In Nederland is het aantal vrouwelijke theologie-hoogleraren gemakkelijk op de vingers van één hand te tellen en dan kun je de 'bijzondere' - en dus doorgaans deeltijdse en tijdelijke - nog voor vol meetellen. Dat er inmiddels een netwerk van vrouwelijke UD's (universitaire docenten) op de diverse theologische faculteiten werkzaam is mag de verdienste heten van de 'Interuniversitaire werkgroep feminisme & theologie' (IWFT). Zij verenigt inmiddels een 250 vrouwelijke theologen, protestants en katholiek, met een werkkring zowel binnen de universiteit als daarbuiten. De groep viert dit weekend haar twintigste verjaardag met een symposium in Driebergen, gewijd aan het thema 'Passie zonder lijden moet kunnen'.

Anne Claire Mulder, onderzoekster van het Dominicaans studiecentrum in Nijmegen:

“In 1976 was er niets. Vrouwen wijdden zich al wel aan theologische vrouwenstudies, maar die inspanning werd niet met studiepunten gehonoreerd. Daar is toen voor geijverd: er werd literatuur aangeschaft, ze konden scripties maken. Vrouwenstudies werd een (verplicht) vak in de theologie-studie; vrouwen kregen promotieplaatsen. In deze eeuw zijn tot dusver 73 vrouwen in de theologie gepromoveerd, van wie 43 in de jaren negentig. Eigen publicaties ('Proeven van vrouwenstudies') houden de verworvenheden bij.

Het doel nu is niet het creëren van plaatsen maar het overeind houden ervan. Elke reorganisatie of samenvoeging op de universiteit betekent een bedreiging. Nog is de feministische theologie goed ingebed in de diverse faculteiten, maar er ontbreekt een 'gewone' hoogleraar en dus een stem in de beslissende gremia.

Aanvankelijk hebben student-assistentes in het programma Theasaurus veel werk verzet voor de inventarisering en rubricering van de tijdschriften op het gebied van vrouw en theologie. Maar op die assistenschappen is bezuinigd en nu zijn er ook problemen met het centraal invoeren en on line-brengen van deze gegevens.

De universiteit is een energieverslindende moloch geworden die steeds hogere eisen stelt. Vrouwen werken er vaak in deeltijd, vaak met een gezin er naast; dat maakt toenadering tot de oecumenische vrouwenbeweging moeilijk. IWFT-leden in de universiteit kiezen er niet voor alleen op de academische wereld gericht te zijn, maar ze zijn vaak al blij als ze daar het hoofd boven water kunnen houden. Je kunt wèl ervoor kiezen om toch bruggen te slaan naar de vrouwen in de kerk.

In de theologie is het onmogelijk de bijdragen van vrouwen nog af te doen als non-onderwerp. Dat wil niet zeggen dat de mannelijke collega's goed op de hoogte zijn, dat ze de literatuur kennen of de debatten volgen. Ja, enkelen zien het als een uitdaging aan hun eigen vak, zijn echt geïnteresseerd in gender-vragen. Er zijn er ook die wel enig beeld hebben van wat we doen, maar daar blijft het dan bij.

Dat is niet genoeg. Feministische theologie wil niet het aanbouw-keukentje van het èchte huis der theologie zijn; wij willen het hele huis verbouwen. Vierkant antifeminisme komen we in onze kerken en universiteiten niet zozeer meer tegen, wel onverschilligheid, de overtuiging dat alles eigenlijk toch al bereikt is. We moeten onze zaak telkens weer aan de orde stellen.''

Dr. Maaike de Haardt, universitair docente Tilburg: “In IWFT staan de laatste twee letters voor feminisme en theologie, niet voor 'feministische theologie', expres, om de ruimte tussen die twee in stand te laten en de een niet door de ander te laten inpakken. Catharine Halkes en de al overleden Fokkelien van Dijk zijn ermee begonnen, uit eigenbelang, om binnen de theologie een kader te scheppen voor vrouwenstudies. We hebben veel bereikt op het gebied van onderwijs, maar voor onderzoek en voortgang is een hoogleraar nodig.

Het resultaat van deze twintig jaar theologie stemt deels vrolijk en stelt deels zeer teleur. Bij bezuinigingen is er minder ruimte voor wat nieuw is en wordt de veilige stelling betrokken van wat de gevestigde wetenschap en de kerken verlangen.

Leden van de IWFT werken niet alleen aan de universiteiten, maar ook in vormingscentra, gemeenten, parochies, plaatselijk cursuswerk; daardoor vindt op onze bijeenkomsten een sterke wisselwerking plaats tussen wetenschap en andere terreinen. Inderdaad is er aandacht voor het thema spiritualiteit, maar een 'Celestijnse belofte' is velen te individualistisch, te weinig maatschappelijk; daar voelen ze zich niet mee verwant. En met de geestelijke wereld waar Antoine Bodar voor staat komen we evenmin verder. Kunst, verbeelding, literatuur, mystiek: dat wel, maar van meet af aan hebben vrouwelijke theologes buiten de geijkte 'canon' gezocht naar andere bronnen, alternatieve teksten en beelden.''

Jasja Nottelman, onlangs afgestudeerd in Groningen: “De IWFT stond weliswaar open voor studentes maar had haar toch weinig te bieden. In 1992 hebben enkele studentes een soort eigen fractie gevormd, de Onderlinge studenten-promotie (OSP), met onder andere twee interuniversitaire bijeenkomsten per jaar. Wat ze missen in het gewone IWFT-circuit is spel en creativiteit. De oudere IWFT-dames zijn sterk gericht op boeken en hoog presteren. Het is overigens maar een klein deel van de theologie-studentes dat voor de weekends en andere initiatieven van deze jongere garde IWFT-ers warm loopt.

Het probleem zit hem al in die 'F'. Wie onder studentes wil werven met feminisme merkt dat ze daar niet bij willen horen; dat is passé.''

Prof. Anton Houtepen, ruimde in 1984 aan het Interuniversitair instituut voor missiologie en oecumenica in Utrecht plek in voor de IWFT en volgde hun werk van nabij: “De vrouwen van de IWFT hebben te maken gehad met weerstanden en met welwillende tegenwerking. De faculteiten hebben minder gedaan dan mogelijk was, ze hebben niet gehandeld uit het besef dat er sprake was van een grote historische achterstand. Anders hadden ze goede afgestudeerde theologes naar het buitenland gestuurd om ze tien jaar later als hoogleraar terug te halen; dan was er echt een nieuw potentieel aangeboord. In plaats daarvan zijn enkele vrouwen hier zwaar met onderwijs-taken belast geweest en moesten hun promotieonderzoek en dissertatie vaak in de vrije tijd doen. Zo'n veertig vrouwen zijn deze laatste jaren in de theologie gepromoveerd, hun werk is zeker niet van mindere kwaliteit. Als het gaat over de wetenschappelijke artikelen zijn vrouwen bij de toptien niet ondervertegenwoordigd. Dit verdient allang minstens één gewone leerstoel om al dat onderzoek van vrouwenstudies theologie te begeleiden. Nu zijn ze aangewezen op enkele aardige mannen wier vak het niet is.

In de hele academische wereld, evenals elders in de samenleving en in de kerken hebben vrouwen een achterstand, dat is waar, maar de theologische faculteiten hadden een voorhoedefunctie kunnen vervullen. Dat hebben ze niet en dat stoort me. Vrouwen hebben in de theologie, net als in andere wetenschappen, onbekende terreinen ontgonnen. Hun eigen werkwijze over de grenzen van de afgezonderde vakgebieden heen is een uitdaging; zij hebben veel nieuwe kennis en inzicht aangedragen in bijvoorbeeld exegese en kerkgeschiedenis, waar alle kennis tot dusver alleen door mannen was verzameld. Ze zijn daarvoor te mager beloond.''

mailIcon print |