*

 
dossier

Archief

Een historisch snoepje om heel lang op te zuigen

KEES DE VRE − 31/01/98, 00:00

Opnieuw komen Wijkers in verzet, de zoveelste maal in hun lange geschiedenis van zo'n 3500 jaar. Geen vreemde stammen ditmaal die het gemunt hebben op de oude, welvarende, handelsstad. De aanval komt nu van binnenuit. De aan vele ramen opgeplakte 'nootkreet' is gericht tegen politieke onverlaten die de honderd jaar oude walnotenboom tegenover de Veldpoort willen kappen. De Wijkers zijn niet gediend van deze uitwas van de vooruitgang - onder meer de uitbreiding van Albert Heijn - en vechten voor de tastbare herinneringen aan hun rijke geschiedenis. Afgelopen dinsdagavond besloot de gemeenteraad de boom te laten staan.

Die rijke geschiedenis is eigenlijk bij toeval aan de oppervlakte gekomen. Letterlijk naar boven gekomen. Rond 1840 heerste er veel werkloosheid in de streek. Om toch een inkomen te verkrijgen gingen werklozen er naar de veelvuldig aanwezige beenderen zoeken die werden verkocht aan lijmfabrieken of boeren die ze tot meststof vermaalden. Pas toen ook oudheidkundig interessante vondsten werden gedaan ging de weten- schap zich er mee bemoeien. Recent is de laatste opgraving onder leiding van de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek beëindigd die maar liefst dertig jaar omvatte, de langste campagne ooit in Nederland.

De ligging aan de samenloop van enkele grote rivieren maakt de plek ideaal voor bewoning. En dat geschiedt dus al vanaf 1500 voor Christus. De eerste vierhonderd jaar van onze jaartelling hebben er Romeinen gewoond in een versterkte vesting die als doel heeft de Germanen aan de overkant van de rivier te houden. Als de Romeinse militairen vertrekken, komt er ruimte voor handelslieden en ontstaat het legendarische Dorestad, waarschijnlijk afgeleid van de Keltische benaming voor sterke plaats.

Het hoogtepunt van deze nederzetting valt tussen 600 en 900 en zij behoort in dat vroeg-middeleeuwse tijdvak tot de drie belangrijkste handelscentra van Europa. Om die rijkdom wordt ze veelvuldig benijd en regelmatig moet Dorestad het ontgelden. Als laatste plunderaars komen aan het eind van de negende eeuw de Noormannen. Deze zoveelste brandschatting versnelt de ondergang van Dorestad, ook al omdat haar levensader, de Kromme Rijn, zich steeds meer naar het oosten verplaatst.

Dat men zoveel van die tijd weet, komt door een vroeg ontwikkeld gevoel voor hergebruik bij de Dorestedelingen. Wijn is in de middeleeuwen een belangrijk handelsproduct. De grote vaten die ter plekke zijn verbruikt worden ingegraven en dienen later als waterput. Na het vervuilen van zo'n put wordt die volgestort met afval en huisraad en installeert men in de buurt een nieuwe put annex vat. Die volgegooide wijnvaten zijn voor de archeoloog ware schatkamers die een goed beeld geven van het leven van alledag in het Middeleeuwse rivierengebied. Het Dorestadmuseum in de Volderstraat biedt een selectie van die vondsten.

Als aan het eind van de dertiende eeuw de baksteen in de mode komt, bouwt elk zichzelf respecterend geslacht een stenen buiten, een ...stein of ...steyn. Zo ook de Van Zuylens, die rond 1270 een versterkte woontoren bouwen op de plek van het oude Dorestad. Als een tribuut aan die beroemde plek noemt de familie hun woontoren 'Duurstede' en de buurt eromheen Wijk bij Duurstede. Zo komt het stadje aan zijn nieuwe naam, zijn nog immer te bewonderen Zuylense donjon met zijn twee meter dikke muren en zijn wapen (drie zuilen op een geel-rode ondergrond).

Wijk bij Duurstede wordt opnieuw opgestoten in de vaart der volkeren als het stadje in het begin van de vijftiende eeuw komt te vallen onder de jurisdictie van de bisschop van Utrecht. Na een ruzie tussen bisschop David van Bourgondië en zijn tegenstrever Gijsbrecht van Brederode is Wijk vanaf 1459 zelfs enige tijd de residentie geweest van de bisschop van Utrecht. Davids opvolger Philips van Bourgondië gaat er ook wonen. Deze beide bastaardzonen van de Bourgondische koning Philips de Goede geven het plaatsje een forse culturele impuls. Vooral Philips verfraait het kasteel en omgeving en maakt er tevens meer een vesting van bestand tegen zware aanvallen.

Tot 1580 blijft Wijk bij Duurstede de residentie van de Utrechtse bischoppen. Er laat zich nog wel eens een Oranje zien - prins Willem II trouwt in 1641 op het Wijkse kasteel met de Engelse kroonprinses Maria Stuart - maar daarna raakt het stadje ietwat in verval. Eind vorige en in het midden van deze eeuw vinden er restauraties plaats die Wijk bij Duurstede zijn huidige karakter geven. En dat karakter mag er zijn. De plaats zindert werkelijk van de historie, met in elke straat wel iets uit dat herinnert aan een glorieuze periode uit haar geschiedenis. Het oude stadhuis, het kasteel, kerken, woonhuizen, bijzondere straten en doorgangen. Namen ook, die teruggaan op de roemruchte Dorestadtijd. Horecagelegenheden van eeuwen her, die wijzen op Wijk bij Duurstede als geliefde pleisterplaats. Nog steeds heeft het stadje met 18 000 inwoners een aanbod van horeca dat de vraag van haar inwoners ruimschoots overtreft en dus die tot in de wijde omgeving bekend is.

En de cultuur niet te vergeten. Niet alleen zijn er in het huidige Wijk veel meer galerieën met moderne en minder moderne kunst dan haar omvang doet vermoeden, zijn er gedichten in gevels aangebracht, maar tevens schilderde Ruisdael er (iets buiten Wijk) zijn beroemde korenmolen (niet te verwarren met de voor Nederland unieke walpoortmolen aan de Lekdijk). Ga ook eens op die Lekdijk staan met zijn witte Veerhuis en zijn pontje naar de Betuwe en je begrijpt waarom Marsman zo lyrisch werd van het rivierenlandschap en zijn eindeloze rijen populieren. In Wijk bij Duurstede is de historie van heel Nederland in een notendop voorhanden. Een snoepje waar je heel lang op kunt zuigen.

mailIcon print |