*

 
dossier

Archief

'Je moet Steiner met meer antipathie lezen'

Door: redactie − 06/02/98, 00:00

Van onze kerkredactie AMSTERDAM - “Je zit in een sekte als je alle uitspraken van Steiner bij voorbaat gelooft.” Aan het woord is Marcel Seelen, leraar Nederlands aan de vrije school 'Geert Grote'. De Geert Grote-school wees er al twee jaar geleden op dat nadrukkelijk afstand genomen moest worden van de discriminerende uitspraken in het werk van Rudolf Steiner, de grondlegger van de antroposofie.

Toentertijd reageerde de Bond van Vrije Scholen lakoniek op deze oproep. Dat is nu wel anders. Bij de presentatie van het rapport van de commissie-Van Baarda, afgelopen woensdag, kondigde de voorzitter van de Bond, de heer Mees, stevige antidiscriminatie-maatregelen aan. Het vak rassenkunde is inmiddels afgeschaft en er komt een onafhankelijke commissie voor de behandeling van klachten over discriminatie in welke vorm dan ook.

Seelen is buitengewoon blij met het rapport van Van Baarda. Hij denkt dat een hoop kou uit de lucht is genomen nu een aantal dubieuze uitlatingen van Steiner uitdrukkelijk als zodanig is onderkend. Veel ellende had voorkomen kunnen worden wanneer de antroposofie kritischer was omgegaan met het gedachtengoed van Steiner, meent Seelen. Hij dringt er op aan Steiner “met meer antipathie te lezen”. De antroposofie moet, in de geest van Steiner zelf, niet worden beschouwd als de weg, maar als een van de vele mogelijke wegen. Een weg waarvan je na kritisch onderzoek ook afstand moet kunnen nemen.

Ook Hugo Verbrugh, antroposoof en hoofddocent filosofie aan de Erasmus Universiteit, vindt dat veel antroposofen elke uitspraak van Steiner als heilig beschouwen. Met een variant op een uitspraak van de commissie-Van Baarda zegt hij: “Ik stel verbaasd vast dat het denken over wat dan ook in de antroposofie niet is veranderd tussen 1925, toen Steiner overleed, en 1997.” Een voorbeeld is het volkomen gebrek aan ontwikkeling in de antroposofische omgang met geneeskunde.

Volgens de commissie-Van Baarda had Steiner wel ideeën over het ontstaan en de functie van rassen. Steiner beschouwde ras als een vorm van collectieve verbondenheid, waarvan mensen zich moesten bevrijden. Zoals ze zich van alle collectieve verbanden, ook familieverbanden, moesten losmaken om individuele vrijheid te verwerven. Zowel Verbrugh als Seelen wijzen erop dat de losse ideeë over het begrip 'ras' niet voorkomen in het geschreven werk van Steiner, maar alleen in door anderen gestenografeerde voordrachten. Verbrugh weet dat Steiner zelf helemaal niet blij was met de uitgaven van zijn voordrachten. Die vond hij te kritiekloos. “Hij wilde alleen de volle verantwoordelijkheid nemen voor wat hij zelf geschreven en gepubliceerd had.” “Die voordrachten”, zegt Verbrugh, “werden in samenspraak met het gehoor opgebouwd”. Dan kunnen er idiote verhalen in de wereld komen, weet hij uit ervaring. Hij verwijst naar een discussie die hij in 1996 voerde met J. D. Imelman, een felle bestrijder van de antroposofie. Imelman zei dat antroposofen, als ze tegenspraak te verduren krijgen, altijd zeggen dat de criticus nog niet genoeg reïncarnaties achter de rug heeft. Toen Verbrugh vanuit de zaal vroeg welke antroposoof dat gezegd had, antwoorddde Imelman, zonder te weten wie hij voor zich had: Verbrugh. Imelman bleek zich te baseren op een raillerende opmerking in een column van Verbrugh. “En iets dergelijks kan ook gebeurd zijn met de uitspraken van Steiner.” Daarbij komt, zegt Verbrugh, dat Steiner een zeer sterke charismatische persoonlijkheid was. Verbrughs grootmoeder, die veel voordrachten van Steiner persoonlijk heeft bijgewoond, kon daarvan getuigen. “Bij een voordracht ontvouwde zich voor de toehoorder een panorama waardoor deze een ander mens werd”, placht zij te vertellen. Steiner zelf moest niet veel hebben van de adoratie rond zijn persoon: “Ik wil niet vereerd worden, ik wil begrepen worden”, citeert Verbrugh.

De problemen met het vak rassenkunde hadden volgens Seelen nooit mogen ontstaan. “Aan vrije scholen mag helemaal geen antroposofie gedoceerd worden. Dat is in strijd met het uitgangspunt.” Seelen wijt deze ontwikkeling aan het werk van één buitengewoon invloedrijke man: Max Stibbe (1898-1973). “Stibbe trok als een apostel van Steiner de wereld rond en stichtte overal vrije scholen, tot in Afrika toe. Minder fraai was dat hij de twijfelachtige uitspraken van Steiner over rassen en volkeren omzette in een taal die hij voor kinderen geschikt achtte. En dan krijg je natuurlijk vreselijke stereotiepen. Dat negers dikke lippen hebben, komt nergens voor bij Steiner. Dat heeft Stibbe bedacht.”

Verbrugh kent nog een aardige anekdote over Stibbe: “Op een congres zei Stibbe dat negers geen ziel hebben. Toen hij daar later mee geconfronteerd werd, zei hij dat nooit gezegd te hebben. Zijn buurman fluisterde hem in het oor dat hij dat wèl gezegd had. Waarop Stibbe antwoordde: 'Als ik het wel gezegd heb, dan hadden ze moeten begrijpen dat ik dat niet zo bedoeld had.”'

Is het advies van de commissie-Van Baarda om de discriminerende uitspraken van Steiner in nieuwe uitgaven te annoteren, niet erg politiek-correct? Verbrugh vindt dat na de holocaust elke uitspraak over ras getekend is. Hij wil nog verder gaan dan de commissie: “Het wordt hoog tijd dat er een wetenschappelijk geannoteerde uitgave komt van Steiners werk, zoals bij Plato en Kant.”

mailIcon print |